Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:
de hulpvraag, de behoeften persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
of er sprake is van opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijk beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptie gerelateerde problemen en zo ja, welke problemen, stoornissen en beperkingen dat zijn;
welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, te weten het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
het in kaart brengen van de eigen kracht van jeugdige en/of ouder(s), door te onderzoeken:
gezinssamenstelling (Wie zijn zorgdragend en wie zijn zorgbehoeftig?);
relatie tussen ouders en kinderen (bijvoorbeeld als een ouder geen wettelijke stiefouder is);
het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen;
vaardigheden en mogelijkheden om zelf de hulp te bieden;
beschikbaarheid om de hulp zelf te bieden (bijvoorbeeld door werk);
mate van planbaarheid van de benodigde zorg;
het ontstaan van overbelasting;
het ontstaan van financiële overbelasting;
overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht;
of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige en/of ouder(s) en personen die tot het sociale netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden;
voor zover de eigen kracht ontoereikend is, de mogelijkheden om met inzet van een algemene voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
voor zover de eigen kracht en de mogelijkheid tot inzet van een algemene voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
voor zover de eigen kracht, de mogelijkheid tot inzet van een algemene voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp rekening kan worden gehouden met omstandigheden zoals de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
de mogelijkheden om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb), waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
De jeugdige of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouder(s), informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp.
Het college en de jeugdige en/of zijn ouder(s) leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in het gezinsplan.
In het gezinsplan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het gezinsplan met de jeugdige en/of zijn ouder, het integraal sociaal team en de jeugdhulpaanbieder besproken worden.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
Hoofdstuk 3.
Artikel 9.
Onderzoek en opstellen gezinsplan
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Het Hogeland 2025