Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 3

Onderzoek

Onderdeel van Beleidsregel PFAS gemeente Haarlemmermeer 2020

1.. Indien men voornemens is grond of baggerspecie, waarbij een reële verdenking bestaat dat PFAS kan worden aangetroffen, binnen het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer in of op de landbodem toe te passen, dient zowel de (water)bodem waar de grond wordt ontgraven of gebaggerd als de bodem waar de grond wordt toegepast verkennend onderzocht te worden overeenkomstig de geldende NEN 5717, NEN 5720, NEN 5725 en NEN 5740 en conform de Beoordelingsrichtlijnen (BRL-en) en protocollen, zoals die gebruikelijk zijn voor veldwerk en partijkeuringen van binnen het Besluit genormeerde stoffen, rekening houdend met de laatste stand der techniek met betrekking tot contaminatie door PFAS bij onderzoek. 2.. Bij een reële verdenking gaat het hier om gehalten aan individuele PFAS die kunnen leiden tot een beperking bij het toepassen van de grond of bagger. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFAS, dan wel het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en PFOA, dermate belast is. Bij een onderzoek naar PFAS dient altijd minimaal op PFOS en PFOA onderzocht te worden, aangevuld met overige PFAS-stoffen waarvoor een verdenking bestaat. 3.. Lid 1 is niet van toepassing indien het College van B&W, vanuit haar bevoegdheid binnen het Besluit, door middel van een appendix op deze Beleidsregel voor de grond in (een deel van) het beheergebied of bagger binnen de gemeentegrenzen overgaat tot het instellen van een (water)bodemkwaliteitskaart (minimaal voor PFOS en PFOA). Voor het instellen van een (water)bodemkwaliteitskaart dient gebruik gemaakt te worden van een werkwijze analoog aan de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Deze (water)bodemkwaliteitskaart is voor het toepassen binnen het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer representatief voor de diffuse bodemkwaliteit. Tevens kan in de kaart gebiedsspecifiek beleid door middel van het instellen van Lokale Maximale Waarden worden opgenomen, die in afwijking van de diffuse bodemkwaliteit een hierop gebaseerde bestuurlijke verruiming mogelijk maakt, zonder dat daarbij risico’s voor mens en milieu aan de orde zijn. De (water)bodem-kwaliteitskaart is niet representatief wanneer conform lid 1 specifiek bodemonderzoek op een locatie is verricht, tenzij dit onderzoek het beeld van de diffuse bodemkwaliteit bevestigt. De kaart is ook niet representatief indien uit vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat een directe relatie bestaat met een herleidbare lokale bronlocatie.

Rechtspraak bij dit artikel