Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.6

Beoordeling aanwezigheid Gebruikelijke hulp

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Drechterland 2025

1.. In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de wet wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de cliënt de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen: door gebruik te maken van zijn eigen kracht; met gebruikelijke hulp van huisgenoten; met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk; door gebruik te maken van algemene voorzieningen; door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten. 2.. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de wet beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is. 3.. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet. 4.. Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten; de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. 5.. Wanneer er gebruikelijke hulp van een minderjarig kind wordt verwacht, wordt onderzoek gedaan naar het vermogen van dit kind. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Er wordt rekening gehouden met: wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht de ontwikkelingsfase van het specifieke kind; het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren 6.. In de volgende situaties wordt ervan uitgegaan dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden geboden. Als de huisgenoten: overbelast zijn of dreigen te worden; beperkingen hebben en de kennis en vaardigheden missen om gebruikelijke hulp uit te voeren en niet over het vermogen beschikken die vaardigheden aan te leren; niet aanwezig kunnen zijn vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; zodanige gezondheidsproblemen hebben dat de desbetreffende taken niet in redelijkheid door hen uitgevoerd kunnen worden; er naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden; de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft. 7.. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel