Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.3

Overige geohydrologische eigenschappen

Onderdeel van Bodemenergieplan Buikslotermeerplein

De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2. Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem Artesisch grondwater De stijghoogte in het eerste en het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket kan boven maaiveld uitkomen. Dit wordt spanningswater of artesisch grondwater genoemd. Wanneer er een boorgat gemaakt wordt tot in deze pakketten, kan het boorgat instorten tijdens het boren door onvoldoende overdruk in het boorgat. Om dit te voorkomen moet de boorstelling verhoogd opgesteld worden. Daarnaast dient hiermee in het ontwerp van de bronkopconstructie rekening gehouden te worden, zodat eventueel onderhoud aan de bronnen goed uitgevoerd kan worden. Zoet-/brak-/zoutovergangen en redoxovergang Tussen 50 – 80 m-mv bevindt zich een overgang van brak naar zout grondwater en bevindt zich hiermee mogelijk in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket (opslagpakket). Op basis van ervaringen bij open bodemenergiesystemen in Amsterdam kan de overgang van brak naar zout grondwater een indicatie zijn van meer grondwaterkwaliteitsverschillen. Bij menging van grondwater met verschillende waterkwaliteiten kunnen redoxreacties optreden die verstopping van de bronnen van een open bodemenergiesysteem kan veroorzaken. Bij het, inmiddels buiten gebruik gestelde, bodemenergiesysteem van het Stadsdeelkantoor zijn dergelijke verstoppingen opgetreden. Hier volgt uit metingen in de uitgevoerde proefboring dat het grondwater bovenin het pakket brak is. Om menging van grondwater met verschillende waterkwaliteiten te voorkomen wordt geadviseerd om de bronfilters op voldoende verticale afstand tot de overgang aan te houden. Op basis van beschikbare boorbeschrijvingen worden kleilagen op een diepte van circa 90 – 100 m-mv verwacht. Geadviseerd wordt om de bronfilters onder deze kleilagen te realiseren. Bij afwezigheid van deze kleilagen wordt geadviseerd de bronfilters vanaf circa 120 m-mv te realiseren.

Rechtspraak bij dit artikel