Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.6

Beoordeling aanwezigheid Gebruikelijke hulp

Onderdeel van Nadere regels Maatschappelijk Ondersteuning gemeente Medemblik 2025

1.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening wanneer er gebruikelijke hulp aanwezig is. 2.. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp betekent dan ook dat er geen reden is om, een maatwerkvoorziening toe te kennen voor de ondersteuning die uitgevoerd kan worden door gebruikelijke hulp. 3.. Het college onderzoekt altijd of de personen die gebruikelijke hulp zouden moeten leveren, hiertoe ook daadwerkelijk in staat zijn. 4.. Van mantelzorg is sprake zodra de hulpbehoefte het niveau van gebruikelijke hulp overstijgt. 5.. Het onderzoek naar de aanwezigheid van gebruikelijke hulp richt zich op twee aspecten: wat mag redelijkerwijs van de huisgenoot verwacht worden; en is die huisgenoot hiertoe ook daadwerkelijk in staat? Hierbij geldt dat iemands persoonlijke voorkeur en/of levensovertuiging geen rol speelt bij de beoordeling of iemand gebruikelijke hulp kan leveren. 6.. Degenen van wie verondersteld wordt dat zij gebruikelijke hulp kunnen leveren, zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan het onder artikel 2.6 het vijfde lid bedoelde onderzoek. Wanneer zij dit weigeren kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan worden besloten geen voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken. 7.. Bij het beoordelen van gebruikelijke hulp door een inwonend kind wordt gekeken naar de leeftijd van het kind, de aard en frequentie van de zorghandelingen en de tijd die ermee gemoeid is. Wat redelijkerwijs van een kind verwacht mag worden, hangt af van wat een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen normaal gesproken doet. Voorkomen moet worden dat een kind door zorgtaken wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. 8.. Uitgangspunt is, dat gebruikelijke hulp geleverd kan worden, tenzij uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Een huisgenoot kan bijvoorbeeld geen gebruikelijke hulp leveren: bij aanwezigheid van geobjectiveerde beperkingen op het gebied van de noodzakelijke ondersteuning; bij gebrek aan kennis/vaardigheden om de ondersteuning te bieden. Hier geldt wel dat tijdelijk een maatwerkvoorziening of individuele voorziening ingezet kan worden om de huisgenoot de noodzakelijke vaardigheden aan te leren. Het leervermogen speelt hier wel een rol; bij (dreigende) overbelasting. Er wordt dan geen gebruikelijke hulp verwacht totdat deze (dreigende) belasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de huisgenoot heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat de huisgenoot bereid is maatschappelijke activiteiten te beperken om zo de (dreigende) overbelasting op te heffen; bij fysieke afwezigheid. Deze afwezigheid moet wel een verplichtend karakter hebben, bijvoorbeeld vanwege werk (in het buitenland, offshore of als internationaal chauffeur). Daarnaast moet gekeken worden naar de aard van de ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als ondersteuning uitstelbaar is dan wordt pas uitgegaan van afwezigheid van gebruikelijke hulp als het om een aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen gaat. 9.. Bij personen die niet in dezelfde woning wonen is geen sprake van gebruikelijke hulp. Wel kan mantelzorg aan de orde zijn. Bij een huisgenoot, anders dan ouder of kind, moet duidelijk zijn dat deze in dezelfde woning woont. Bij onduidelijkheid over de vraag of er sprake is van “dezelfde woning” zoekt het college in het onderzoek aansluiting bij de uitleg over zelfstandige woonruimte in het kader van de regelgeving over de huurtoeslag. 10.. Wat concreet valt onder “gebruikelijke hulp” wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder of het inwonend kind of de andere huisgenoot. Dit wordt bepaald door meerdere factoren, zoals bijvoorbeeld: de aard en intensiteit van de ondersteuning. Zo wordt bij het schoonhouden van de woning meer van een huisgenoot verwacht dan bij zelfzorg; de verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte. 11.. Er is sprake van een kortdurende ondersteuningsbehoefte als er binnen afzienbare tijd (richtlijn: maximaal drie maanden) uitzicht is op een dusdanige verbetering van de problematiek en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat ondersteuning daarna niet langer nodig is. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte wordt in principe uitgegaan van een periode van langer dan drie maanden. 12.. Hoe korter de verwachte duur van de ondersteuning, hoe meer men mag verwachten van een huisgenoot. Meegewogen wordt: wat de relatie is tot degene die ondersteuning nodig heeft. Van een partner worden andere dingen verwacht dan van een huisgenoot. En van een minderjarig kind kan minder verwacht worden dan van een meerderjarig kind; bij ondersteuning aan kinderen: de leeftijd van het kind.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel