Naar hoofdinhoud
1.. Tot de subsidiabele kosten behoren, voor zover noodzakelijk en in directe relatie tot het doel van de subsidie, de kosten die op grond van artikel 31 ‘Opleidingssteun’ van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, Verordening (EU) nr. 651/2014) als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt, onverminderd artikel 4.8 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022. 2.. Tot de subsidiabele kosten behoren, voor zover noodzakelijk en in directe relatie tot het doel van de subsidie, de kosten die op grond van artikel 27 ‘Steun voor innovatieclusters’ van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, Verordening (EU) nr. 651/2014) als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt, onverminderd artikel 4.8 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022. 3.. Tevens behoren tot de subsidiabele kosten met inachtneming van de de-minimis vrijstellingsverordening, kosten voor zover noodzakelijk en in relatie tot het doel van de subsidie en voor zover deze kosten niet vallen onder lid 1 en 2 van dit artikel: kosten die de penvoerder maakt voor de coördinatie, projectleiding, ondersteuning en communicatie van impulsplan; kosten voor instrument- en methode-ontwikkeling; kosten voor de ontwikkeling van scholingsaanbod; kosten voor de certificering van het ontwikkelde scholingsaanbod; kosten voor het haalbaar, en toegankelijk maken van LLO ten behoeve van overstappen naar beroepen met tekorten en groeipotentie; kosten voor activatie van deelnemers. 4.. De volgende kosten zijn in ieder geval niet subsidiabel: kosten die betrekking hebben op de feitelijke bij-, op-, her- en omscholing van werkenden en werkzoekenden; kosten met betrekking tot opleidingen die worden gegeven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen; Kosten met betrekking tot activiteiten die niet gericht zijn op opschaling, zoals bedoeld in artikel 1 sub i.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel