Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 32

Schriftelijke vragen

Onderdeel van Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

1. . Een lid is bevoegd buiten de vergadering aan het college of het presidium schriftelijk vragen te stellen. De vragen moeten kort en duidelijk zijn geformuleerd. Een korte feitelijke toelichting op de vragen is mogelijk. 2. . Schriftelijke vragen, die niet voldoen aan het gestelde in het eerste lid of niet conform de eisen ingevolge de wet zijn, worden per omgaande aan de indiener teruggestuurd. 3. . De griffier draagt zorg, dat de leden de tekst van de gestelde vragen zo spoedig mogelijk ontvangen. Hij kan desgewenst over vorm en inhoud van de vragen vooraf mondeling overleg plegen met de steller. 4. . Indien na het overleg de vragen al dan niet gewijzigd worden gehandhaafd, handelt de griffier alsnog zoals in het tweede lid is bepaald. 5. . De vragen worden schriftelijk aan de gehele raad binnen vier weken na de datum, waarop zij zijn ingekomen beantwoord. Indien de beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, wordt daarvan onder mededeling van de redenen aan de raad kennis gegeven. Vervolgens wordt zo spoedig mogelijk een nieuwe termijn bepaald, waarbinnen beantwoording plaatsvindt. Indien ook deze termijn wordt overschreden, kunnen de vragen aan de orde worden gesteld als mondelinge vragen. 6. . De voorzitter stelt de vragen op verzoek van de indiener van de vragen aan de orde in de eerstvolgende vergadering van de raad die na de datum van overschrijding wordt gehouden. 7. . Het stellen van de mondelinge vragen vindt plaats na vaststelling van de besluitenlijst en spoeddebat, doch indien in de vergadering voorstellen voor de benoeming van personen aan de orde zijn, na afloop van de beraadslaging over deze voorstellen. 8. . De vragensteller wordt voor ten hoogste vijf minuten het woord verleend om de vragen te stellen. Het collegelid of de voorzitter presidium wordt voor ten hoogste vijf minuten het woord verleend om de vragen te beantwoorden. 9. . Tijdens de mondelinge vragen worden geen interrupties toegestaan. 10. . Tijdens de mondelinge vragen kan geen verlof worden gevraagd voor het houden van een interpellatie.

Rechtspraak bij dit artikel