Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Het onderzoek van de geloofsbrieven; beëdiging, benoeming

Onderdeel van Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

1. . Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden. De commissie van de geloofsbrieven wordt benoemd voor de duur van de raadsperiode. 2. . De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit tot toelating. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. 3. . Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de wet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 4. . In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad, waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5. . Bij de benoeming van een wethouder onderzoekt de commissie van de geloofsbrieven of de kandidaat voldoet aan de eisen van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid en 41c eerste lid van de wet. Op de werkwijze van deze commissie is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 6. . Voorafgaand aan de benoeming tot wethouder geeft de burgemeester opdracht tot het uitvoeren van een proces van screening. De burgemeester en de kandidaat nemen kennis van de uitkomsten van de screening. De uitkomsten van de screening worden door de burgemeester met de kandidaat-wethouder besproken. De raad wordt van het resultaat op de hoogte gesteld.

Rechtspraak bij dit artikel