**1..** Het college kent een individuele voorziening toe als vastgesteld is dat:
dit nodig is gelet op de aard en ernst van de hulpvraag en om (één van de) doelen van de Jeugdwet te bereiken;
de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen mogelijkheden heeft om een passende oplossing voor zijn hulpvraag te vinden. Hieronder valt in ieder geval:
gebruikelijke hulp van ouders
het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten
een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en
de jeugdige en zijn ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.
**2..** Bij de beoordeling of de jeugdige en/of zijn ouders aanspraak kunnen maken op een andere voorziening als genoemd in het vorige lid onder d, wordt gekeken naar de “Afbakening van de Jeugdwet met andere wetten binnen het sociaal domein” in Bijlage 2.
**3..** Een individuele voorziening kan worden verstrekt in de vorm van zorg in natura of een pgb.
**4..** Een individuele voorziening wordt niet eerder verstrekt dan nadat het onderzoek, als genoemd in het eerste lid van artikel 7 is afgerond tenzij sprake is van een spoedeisende situatie als genoemd in artikel 6 derde lid.
**5..** Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.
**6..** Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 nog geen aanvraag is ingediend.
HOOFDSTUK 8
Artikel 11.
Voorwaarden voor een individuele voorziening
Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2025