Zoals hierboven geschreven heeft de gemeente het standpunt over haar rol bij de ontwikkeling van integrale kindcentra gewijzigd. De gemeente zal een meer regisserende rol op zich nemen bij de ontwikkeling van kindcentra. Uiteengezet is, ook in de bijlage, hoe de gemeente haar rol ziet bij nieuwbouw van scholen en ook bij leegstand samen met schoolbesturen zal kijken welke mogelijkheden er zijn. In eerdere beleidstukken over onderwijshuisvesting is o.a. opgenomen: ‘Dat de huisvesting naast het gebruik als school en door de school een bredere functie binnen de plaatselijke gemeenschap kan vervullen voor welzijn c.q. sociale, culturele en sportactiviteiten.’ Dat blijft ook nu gelden, waarbij in eerste instantie voor de mogelijkheden van kinderopvang wordt gekeken en daarna naar andere maatschappelijke functies.
In de gemeente Aa en Hunze is een aantal onderwijsgebouwen gekoppeld aan dorpshuizen. In een aantal kernen is sprake van multifunctioneel gebruik van beide gebouwen en is het gezamenlijk gebruik door school, verenigingen en/of welzijnsinstellingen al gerealiseerd.
Gemeente en schoolbesturen behoren afspraken te maken over ‘hoe om te gaan met leegstand’.
Bovenstaande laat onverlet dat leegstand van schoollokalen primair een verantwoordelijkheid is van het schoolbestuur. Voor een leegstaand lokaal krijgt een schoolbestuur echter geen bekostiging meer, terwijl de kosten (zoals onderhoud en energie) wel doorlopen. Leegstand kost daarom geld. Als sprake is van een gedeelte van een schoolgebouw of terrein dat blijvend niet meer wordt gebruikt voor de school en dit gedeelte is vatbaar voor eigendomsoverdracht (bijvoorbeeld omdat het een aparte vleugel van een gebouw betreft die eenvoudig is af te scheiden van de rest van het gebouw), dan kan het schoolbestuur verzoeken dat de gemeente het eigendom van dit gedeelte ‘terugneemt’. Uitgangspunt is echter dat terugval van lokalen aan de gemeente geen voorkeur heeft van het college. De gemeente ziet liever dat het schoolbestuur de leegstaande lokalen verhuurt en daaruit het onderhoud betaalt.
Artikel 108 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), artikel 106 van de Wet op de Expertisecentra (WEC) en artikel 6.18 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) regelen het in gebruik geven door het schoolbestuur van een gedeelte van het schoolgebouw en/of het terrein aan derden en maakt een onderscheid tussen verhuur en medegebruik. Verhuur is aan de orde als er geen sprake is van een organisatie met een maatschappelijk, cultureel of recreatief doel. Voor organisaties met een commerciële doelstelling geldt dat deze vallen onder het begrip ‘verhuur’. Kinderopvangorganisaties worden aangemerkt als ‘commercieel’ en vallen derhalve niet onder de wettelijke mogelijkheden voor (om niet) medegebruik. Het zonder toestemming van het college verhuren van (een gedeelte van) een schoolgebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school is van rechtswege nietig. Het college kan de toestemming weigeren als zij van mening is dat:
De ruimte nodig is voor het huisvesten van een andere school en de gemeente van plan is het gedeelte van het schoolgebouw daarvoor op korte termijn te vorderen;
Bij verhuur de ruimte gaat worden gebruikt als woon- of bedrijfsruimte;
Het gebruik van de ruimte zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.
Bij verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw is, zonder nadere afspraken in bijvoorbeeld het IHP of een nota/reglement verhuur en medegebruik, geen huurbescherming en ontruimingsbescherming van toepassing. Dit betekent dat, met een redelijke opzegtermijn (minimaal één schooljaar), verhuurde ruimten te vorderen zijn voor het huisvesten van de betreffende of een andere school.
Uit de jurisprudentie volgt dat de huuropbrengsten ten goede komen aan het schoolbestuur, tenzij is gebleken dat het college door de toestemming voor de verhuur te geven extra kosten maakt dan wel extra inkomsten derft. De hoogte van het aan de gemeente betalen deel van de huuropbrengsten moet in dat geval dus rechtstreeks gerelateerd zijn aan de extra kosten of derving van inkomsten voor de gemeente die de toestemming voor het verhuren van een deel van het schoolgebouw aan een huurder met zich brengt.
Beleid Aa en Hunze
Het uitvoeringskader Maatschappelijk Vastgoed van de gemeente stelt voor vastgoed dat eigendom is van de gemeente als uitgangspunt dat bij verhuur een zodanig tarief wordt gehanteerd dat geen sprake is van concurrentievervalsing (marktconform tarief) en dat er minimaal sprake is van een kostendekkende huurprijs. Uit jurisprudentie blijkt dat het bevoegd gezag als eigenaar van een schoolgebouw zelf de hoogte van de huurprijs mag bepalen. De schoolbesturen zijn echter desondanks bereid bij de bepaling van de hoogte van de huurprijs rekening te houden met het hiervoor genoemde uitgangspunt van het uitvoeringskader Maatschappelijk Vastgoed
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4.
Artikel 2.4.10.
Medegebruik, verhuur en leegstand van schoolgebouwen
Onderdeel van Evaluatie en Actualisatie Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2035