1. Het college kan een voorziening beëindigen:
a. indien de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn
verplichting als bedoeld in de artikelen 9, 17, 55 van de wet niet
nakomt;
b. indien de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de
doelgroep;
c. indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
waarbij niet volledig gebruik wordt gemaakt van deze
voorziening;
d. indien naar het oordeel van het college de voorziening
onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.
2. Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de
voorzieningen, bedoeld in de artikelen 10 tot en met 24, nadere
regels stellen.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 10
Algemene bepalingen over voorzieningen
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand