1. De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt
verhoogd met een toeslag van
20% van de gezinsnorm indien in dezelfde woning geen anderen hun
hoofdverblijf hebben.
2. De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt
eveneens verhoogd met een
toeslag van 20% van de gezinsnorm indien:
a. Als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volledig
of in belangrijke mate achterwege blijft;
b. Uitsluitend één of meer kinderen van 18 jaar of ouder, die gelet
op artikel 4, tweede lid van de wet niet tot het gezin behoren, hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.
3. De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder wordt
verhoogd met een toeslag
van 10% van de gezinsnorm indien er sprake is van medebewoning,
anders dan genoemd
in het tweede lid.
4. De norm wordt niet verhoogd met een toeslag, indien de
alleenstaande of de alleenstaande
ouder is aan te merken als een schoolverlater.
5. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
alleenstaande van 21 jaar in wiens woning geen ander zijn
hoofdverblijf heeft op nihil gesteld
6. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
alleenstaande van 22 jaar in wiens woning geen ander zijn
hoofdverblijf heeft vastgesteld op 10% van de gezinsnorm