Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1. › Paragraaf 1.4

Artikel 1.4.1

Strafrecht

Onderdeel van Beleidsregels Damoclesbeleid gemeente Duiven 2025

Degene die zich schuldig maakt aan overtredingen van (de artikelen 2, 3 , 10a, eerste lid, onder 3° en artikel 11a van) de Opiumwet, kan daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd door het Openbaar Ministerie en uiteindelijk door een strafrechter worden bestraft. Dit strafrechtelijk traject staat los van de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden en valt daarom buiten het toepassingsbereik van dit Damoclesbeleid. De toepassing van artikel 13b van de Opiumwet heeft geen strafrechtelijk, maar een bestuursrechtelijk doel. Het gaat niet om een bestraffende sanctie (met als doel leed toe te voegen) maar om een herstelsanctie. De bestuurlijke maatregel van de burgemeester is gericht op het beëindigen en het voorkomen van een herhaling van overtredingen van de Opiumwet en de negatieve effecten daarvan. De toepassing van 13b van de Opiumwet is daarom ook in mindere mate gericht op de persoon die (vermoedelijk) de overtreding heeft begaan of daarvoor verantwoordelijk is, maar op het object waarin of waarop de overtreding plaatsvindt: de woning, het lokaal of op een daarbij behorend erf. Een besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet is met het oog op deze doelen daarom geen “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Omdat de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet een ander doel heeft en losstaat van de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie, kan bij een overtreding van de Opiumwet tegelijkertijd bestuursrechtelijk door de burgemeester en strafrechtelijk door het Openbaar Ministerie worden opgetreden; het zogeheten tweesporenbeleid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel