Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen (zie paragraaf 2.1 van dit Damoclesbeleid) bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Bestuursdwang geschiedt in de praktijk, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in de regel in de vorm van een sluitingsmaatregel. Dit sluit ook aan bij het uitgangspunt dat met artikel 13b van de Opiumwet een herstelsanctie is beoogd te introduceren die betrekking heeft op het pand als zodanig en de bekendheid daarvan als drugspunt in het drugscircuit. Het ziet slechts in mindere mate op de bij de drugshandel betrokken personen.16Zie ook de “Harderwijk-uitspraak” (r.o. 9.4, derde alinea). Het gaat in principe om een objectgerichte maatregel.
In beginsel is daarom niet van belang wie (feitelijk) de overtreding van de Opiumwet heeft begaan, zoals de eigenaar, verhuurder, huurder, bewoner, rechthebbende of een derde. De constatering van overtreding van de Opiumwet in een pand is voor de burgemeester als zodanig al voldoende om van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik te kunnen maken. Evenmin is van belang of een eventuele eerder met betrekking tot het pand getroffen maatregel aan dezelfde persoon is opgelegd. Op grond van artikel 5:24, derde lid, van de Awb, hoeft de last onder bestuursdwang ook niet noodzakelijk bekendgemaakt te worden aan (alleen) de overtreder. Dit kan ook aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak (de woning/het lokaal) waarop de last betrekking heeft (en/of aan de aanvrager).
In het geval van een voorbereidingshandeling kan bestuursdwang ook plaatsvinden in de vorm van een feitelijke verwijdering van de stoffen en voorwerpen die de desbetreffende voorbereidingshandeling opleveren, namens de burgemeester.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.1
Last onder bestuursdwang (sluiting)
Onderdeel van Beleidsregels Damoclesbeleid gemeente Duiven 2025