We voeren strikt beleid voor uitbreiding van winkelmeters. We staan enkel beperkt uitbreiding toe van winkelmeters om ruimte te blijven houden voor innovatie en excellent ondernemerschap. Daarbij geldt dat in harde plancapaciteit planologisch al mogelijkheden zijn en over zachte plannen/initiatieven (zie bijlage 1) nog afstemming dient plaats te vinden in lijn met de gewenste structuur in deze visie. Onderstaand geven we de ruimtelijke voorwaarden weer.
We gaan hieronder in op de belangrijkste aspecten van dit beleidskader. Samengevat hanteren we onderstaand kader:
v = toegestaan
+/- = terughoudendheid
x = niet toegestaan
Nieuwbouw/realisatie van detailhandel
Uitbreiding van bestaande detailhandel
Branche- vervaging
Ondergeschikte detailhandel
Internet & afhaalpunten
Boerderijwinkels
Binnen de hoofdwinkelstructuur
Recreatieve centra
v (binnen compact(er) gebied)
v (binnen compact(er) gebied)
v (ja, mits…)
Afhaalpunten worden gevestigd in bestaande winkelcentra.
Streekverzorgende boodschappencentra
+/- (terughoudend met uitbreiding)
v (binnen compact(er) gebied
v (ja,mits…)
Bovenlokaal verzorgende dorpscentra
+/- (terughoudend met uitbreiding)
v (binnen compact(er) gebied
v (ja, mits…)
Ondersteunende wijk- en buurtcentra
+/- (terughoudend met uitbreiding)
v (mits passend bij
functie en verzorgingsgebied)
v (ja,mits…)
Volumineus cluster
v (geen
brancheverruiming toegestaan)
v (geen
brancheverruiming toegestaan)
x (geen
verdere verruiming)
Buiten de hoofdwinkelstructuur
Kleine dorpen, wijkcentra en kernen
v (behoud dagelijkse functie, in kleine dorpen zonder voorzieningenaanbod tot 500 m² wvo, ten behoeve van
leefbaarheid)
v (behoud dagelijkse functie, uitbreiding in kleine dorpen mogelijk tot 500 m² wvo totaal,ten behoeve van leefbaarheid)
x (geen verdere verruiming)
Max. 25% van bvo met een max. van 150 m² wvo. Bv. op kantoorlocaties en bedrijventerrein, in of bij musea, attractieparken, bij campings en hotels, in/bij ziekenhuizen, bij woning in bibliotheken, scholen, kerken
Afhaalpunten zijn niet toegestaan in woonwijken. Op bedrijventerreinen mag geentransactie plaatsvinden, wel opslag en afhalen.
Verkoop is mogelijk als ondergeschikte activiteit bij de agrarische functie, vrijwel uitsluitend bedrijfsgebonden producten, geen verkeersaantrek- kende werking en zeer beperkte verkoopruimte
Overige ontwikkelingen: nieuwe clusters
x (ongewenst, alleen mogelijkheid voor realisatie van grootschalige
woonwijk)
n.v.t.
n.v.t.
Overige ontwikkelingen: solitaire winkels buiten hoofdwinkelstructuur
x
x (alleen zeer beperkt, > 200 m² wvo na regionale afstemming /
instemming)
x (geen verdere verruiming)
Overige ontwikkelingen: bouwmarkt en tuincentra
v (mitspassend bij verzorgingsfunctie en met behoud van gelijkmatige spreiding)
v (mits passend bij verzorgingsfunctie en met behoud van gelijkmatige spreiding)
x (geen verdere verruiming)
Overige ontwikkelingen: overige perifere detailhandel (PDV)
v (voor traditionele ABC-goederen & bouwmarkt en
tuincentra)
v (voor traditionele ABC- goederen & bouwmarkt en tuincentra)
x (geen verdere verruiming)
Hierna volgt de uitleg bij bovenstaande tabel.
Hoe omgaan met initiatieven in de gewenste hoofdwinkelstructuur?
In het regionale detailhandelsbeleid is de hoofdwinkelstructuur leidend. Bij de beoordeling van initiatieven geldt de volgende driedeling:
De recreatieve centrumgebieden (Hoorn, Enkhuizen en Medemblik) zijn het domein van het niet-dagelijkse, op recreatief gebruik gerichte winkelaanbod. Hierbij ligt het primaat op het centrum van Hoorn als grootste winkelgebied met een regionaal bereik. De centra van Enkhuizen en Medemblik zijn hieraan ondersteunend. Toch merken we ook dat het draagvlak voor winkels in deze centra terugloopt. De leegstand zal als gevolg van een toename in online bestedingen hoger worden. Dit vraagt om een vertaling in lokaal beleid waarbij gekeken moet worden naar een toekomstbestendige omvang van het kernwinkelgebied, een ruimtelijk kader, een afwegingskader voor transformatie en perspectief voor plekken buiten het nieuwe, toekomstbestendige kernwinkelgebied.
De streekverzorgende en de bovenlokaal verzorgende boodschappencentra zijn gericht op het doen van de dagelijkse boodschappen en het doen van andere hoogfrequente aankopen. Er is nu geen aanleiding om de gelaagdheid tussen de centra te wijzigen. Van belang is ontwikkelingen buiten deze centra goed te monitoren en terughoudend te zijn bij nieuwe initiatieven buiten deze gebieden. Verplaatsing van solitaire winkels naar de streekverzorgende en bovenlokaal verzorgende centra verdient prioriteit.
De ondersteunende wijk- en buurtcentra in Hoorn en Enkhuizen zijn ook gericht op het doen van dagelijkse boodschappen en hoogfrequente aankopen. Deze centra bedienen consumenten uit de wijk en buurt. Voorkomen moet worden dat deze centra concurreren met recreatieve, streekverzorgende of bovenlokaal verzorgende centra. De omvang van de winkels/het centrum moet passend zijn bij de functie en verzorgingsgebied van het centrum. Ruimtelijke effecten als gevolg van ontwikkeling in deze centra op het functioneren van andere centra zijn ongewenst.
Voor winkels in volumineuze aankopen ligt het primaat in de regio bij Hof van Hoorn. Ontwikkelingen in de volumineuze sfeer dienen bij voorkeur hier te landen. Hiermee voorkomen we dat er een nieuwe PDV-concentratie ontstaat die de bestaande structuur onder druk zet. Wel kunnen andere locaties voorzien in de behoefte aan vestigingsmogelijkheden voor traditionele PDV (de zogenaamde ABC- goederen; auto’s, boten en caravans) en mogelijk voor de vestiging van bouwmarkten en tuincentra. Er zal geen verdere brancheverruiming worden toegestaan.
Hoe omgaan met initiatieven buiten de hoofdwinkelstructuur?
In beginsel is versterking van centra of gebieden die niet tot de gewenste hoofdwinkelstructuur behoren ongewenst. Toch willen we als regio vanuit leefbaarheid en (economisch) perspectief ruimte bieden voor initiatieven die passen bij de schaal en maat van de kleinere dorpen en kernen.
Ten aanzien van de dorpen zonder voorzieningenaanbod:
Alleen initiatieven die voorzien in behoud of versterking van een dagelijkse voorziening in de kleinste kernen worden ondersteund. Hier is de realisatie van een basisvoorziening van maximaal 500 m² wvo mogelijk.6Het betreft de realisatie van een voorziening of een uitbreiding tot 500 m² wvo. Dit betreft een maximum van 500 m² wvo voor het totale detailhandelsaanbod (ook wanneer dit meerdere vestigingen betreft). Dit betekent dat ruimte is om goede initiatieven ten behoeve van de leefbaarheid te realiseren/faciliteren. Toetsing vindt hoofdzakelijk plaats op de bijdrage van een initiatief op de leefbaarheid van de kern en de effecten op de bovenlokaal verzorgende en ondersteunende boodschappencentra (hoofdwinkelstructuur). In dit verband denken we aan een kleinschalige dorpssupermarkt, een bakker (bv. met café/terras), een toeristische (souvenir)winkel of een ander lokaal initiatief. Een functie met een bovenlokale aantrekkingskracht, bijvoorbeeld een woonwinkel of een kledingzaak past in dat perspectief niet/minder goed.
Ten aanzien van overige ontwikkelingen
Nieuwe solitaire ontwikkelingen zijn ongewenst, ook als het gaat om een supermarkt die zich op een solitaire locatie wil vestigen. Winkelontwikkelingen dienen immers bij te dragen aan (een versterking van) de gewenste hoofdwinkelstructuur. Eventuele verplaatsing van een solitair gelegen supermarkt (buiten de hoofdwinkelstructuur) naar een andere solitaire locatie kan worden overwogen. Verplaatsing naar de hoofdwinkelstructuur heeft echter grote voorkeur. Alleen in de kleinste dorpen en kernen is een uitzondering mogelijk tot 500 m² wvo (zie hierboven), omwille van de leefbaarheid. Solitaire winkels kunnen alleen uitgebreid worden als aantoonbaar is dat die beperkte uitbreiding nodig voor het bevorderen van ondernemerschap en het borgen van de ruimtelijke kwaliteit. We denken dan aan een minimale uitbreiding zodat parkeren beter georganiseerd kan worden, de veiligheid sterk verbetert of waarbij een onlogische indeling wordt voorkomen. Hierbij geldt het principe van ‘nee, tenzij…’.
Uitbreiding en/of verplaatsing/nieuwvestiging van een bouwmarkt of tuincentrum is onder voorwaarden aanvaardbaar (ruimtelijke toetsing). We willen echter voorkomen dat er (verdere) branchevervaging ontstaat en daarmee oneerlijke concurrentie ontstaat voor ondernemers in de centrumgebieden (waar onder andere de huren hoger zijn). Hiermee bedoelen we: producten die in de basis niet bij een bouwmarkt of tuincentrum horen en dus branchevreemd zijn. Voorbeelden zijn onder andere kleding, speelgoed, sportartikelen en food. We stellen daarom een grens aan branchevreemde artikelen van maximaal 20% van het totaaloppervlak en 250 m² wvo. Voor bouwmarkten en tuincentra (die veelal solitair zijn gevestigd) geldt dat behoud van een gelijkmatige spreiding voorop staat. Wel geldt dat eerst een locatie binnen de hoofdwinkelstructuur onderzocht moet worden.
PDV-initiatieven (denk aan woonwinkels, keuken- en badkamerspeciaalzaken) worden waar mogelijk geleid naar het aangewezen cluster Hof van Hoorn. Deze locatie behoort tot de hoofdwinkelstructuur. Voorkomen moet worden dat de overige gebieden in de regio waar PDV is toegestaan uitgroeien tot PDV- clusters die in functie met elkaar gaan concurreren. Wel kunnen andere locaties voorzien in de behoefte aan vestigingsmogelijkheden voor traditionele PDV (de zogenaamde ABC-goederen; auto’s, boten en caravans) en mogelijk voor de vestiging van bouwmarkten en tuincentra. Hierover dient regionale afstemming plaats te vinden.
Er wordt geen medewerking verleend aan initiatieven tot nieuwe clusters van detailhandel buiten de hoofdwinkelstructuur. Een uitzondering wordt gemaakt voor initiatieven voor compacte clusters van dagelijkse verzorging nabij grootschalige (woningbouw)ontwikkelingen zoals in het stationsgebied in Hoorn. Wanneer de ontwikkeling past bij de omvang van de wijk, getoetst is aan lokaal, provinciaal en nationaal beleid en geen afbreuk doet aan de hoofdwinkelstructuur, is een dergelijke ontwikkeling mogelijk.
Hoe omgaan met branchevervaging?
Branchevervaging in de volumineuze clusters of op PDV-vestigingen op verspreide locaties wordt niet verruimd. Op deze locaties is alleen detailhandel in volumineuze branches toegestaan. We willen daarmee voorkomen dat deze winkelgebieden verkleuren naar reguliere winkelgebieden. Alleen in ondergeschikte vorm is de verkoop van niet-volumineuze artikelen mogelijk. We stellen hierbij een grens van 20% van het totaaloppervlak en 250 m² wvo. De afzonderlijke gemeenten zien toe op handhaving hiervan, mits hierop een verzoek ingediend wordt door inwoners of ondernemers. Binnen de kaders van de Europese Dienstenrichtlijn achten we deze beperking op plekken buiten de gewenste hoofdwinkelstructuur (met uitzondering van Hof van Hoorn) noodzakelijk en evenredig. Immers, centra in West-Friesland worden – ondanks inspanningen van de individuele gemeenten en regionaal beleid – geconfronteerd met meer leegstand en een dalend bezoek. Aanvullend op de lokale inspanningen vinden we een branchebeperking en beperking van de verkoop van niet-volumineuze artikelen bij deze winkels een passende maatregel.
In reguliere winkelgebieden (hoofdcentra, bovenlokale en ondersteunende boodschappencentra) is branchevervaging minder problematisch. Vervagende grenzen tussen sectoren en branches is kenmerkend in het huidige tijdsbeeld. Hierbij valt te denken aan functieverruiming door het mogelijk maken van gemengde vormen van horeca en detailhandel. Voor zover bijdragend aan versterking van het winkelgebied en de gewenste structuur dient in de reguliere winkelgebieden de grondhouding te zijn: “ja, mits…”, in plaats van: “nee, tenzij…”
Hoe omgaan met ondergeschikte detailhandel?
Nieuwe detailhandelsinitiatieven worden buiten de winkelgebieden niet toegestaan. Ook op bedrijventerreinen gaan we terughoudend om met het toestaan van nieuwe detailhandel, ook als ondergeschikte vorm bij een productiebedrijf.
Ondergeschikte detailhandel kan gevestigd zijn:
op kantoorlocaties en bedrijventerreinen;
bij agrarische bedrijven waarbij het gaat om de verkoop van incidentele en/of seizoensmatige producten (zie ook hierna ‘boerderijwinkels’);
in of bij musea, recreatie- en/of attractieparken;
bij de logiessector, zoals campings, bungalowparken en hotels;
in/bij ziekenhuizen;
bij een woning;
in/bij buurthuizen, bibliotheken, scholen, kerken en dergelijke in de woonwijken.
De mogelijkheden voor ondergeschikte detailhandel verschillen per bestemmingsplan en per gemeente. Van belang is om uniformiteit na te streven bij herziening van bestemmingsplannen/omgevingsplannen. We werken met een leidraad die gemeenten verder uitwerken de komende jaren bij aanpassing / opstellen van het omgevingsplan. Gemeenten houden de bevoegdheid hier lokaal van af te wijken. Leidraad is dat onder de volgende voorwaarden ondergeschikte detailhandel is toegestaan binnen een hoofdfunctie:
Maximaal 25% van de totale bedrijfsoppervlakte met een maximum van 150 m² wvo7150 m² wvo is een gangbare maat in diverse bestemmingsplannen zowel landelijk als in de regio West-Friesland. Daar waar de situatie hierom vraagt staat het de gemeenten vrij om hier strenger in te zijn. Een soepeler regime raden we af in dit verband.Voorkomen moet worden dat er grote showrooms ontstaan op ongewenste plekken, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen of in woonwijken/bij voorzieningen. mag als ondergeschikte detailhandel worden gebruikt.
De openingstijden van de ondersteunende activiteit vallen binnen de openingstijden van de hoofdactiviteit en er is geen aparte ingang.
Laden en lossen en parkeren wordt geregeld op eigen terrein.
Veelvoorkomend op bedrijventerreinen zijn ook de kringloopwinkels. We streven hier ook naar één uniforme aanpak, namelijk: kringloopwinkels worden als maatschappelijke voorziening bestemd; de verkoop van tweedehands goederen, die veelal ter plaatse worden bewerkt, hersteld en opgeslagen, heeft een ondersteunend karakter en wordt toegevoegd aan de omschrijving in het ruimtelijk plan. De detailhandel mag alleen bestaan uit ter plaatse vervaardigde en tweedehands goederen, er mag geen sprake zijn van inkoop van producten (deze worden verkregen via inzameling). Vintage/deelwinkels passen in de bestaande hoofdwinkelstructuur.
Hoe omgaan met internethandel en afhaalpunten?
Afhaalpunten met service- en detailhandelsfunctie worden gevestigd in bestaande winkelcentra. We hanteren daarbij de volgende definitie:
“Afhaalpunten waar tevens goederen worden opgeslagen en getoond aan de consument en andere activiteiten plaatsvinden zoals presenteren, productadvisering, kopen, bestellen en ruilen van artikelen”
Deze vorm wordt als detailhandel gezien en mag alleen gevestigd worden in bestaande reguliere winkelcentra en niet op werklocaties. Vanuit een mobiliteitsgedachte en verkeersbewegingen vinden we afhaalpunten waar enkel pakketjes worden opgehaald en geretourneerd op centrale locaties (zoals nabij de snelweg) of op een goed bereikbare werklocatie een gewenste ontwikkeling. Conform de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland zijn op kantoor- en bedrijventerreinen afhaalpunten ten behoeve van internethandel mogelijk, echter uitsluitend in de vorm van opslag en distributie van artikelen voor aan- of verkoop via internet tussen bedrijf en consument. Er vindt geen rechtstreekse verkoop of productadvisering via winkel, showroom of etalage plaats.
Afhaalpunten in woonwijken (bebouwd woongebied) zijn niet toegestaan.8 Detailhandelsactiviteiten die vanaf een perceel louter via internet lopen, beperkt toegankelijk zijn voor particulieren en geen ruimtelijke uitstraling hebben die past bij een winkel (producten kunnen er niet afgehaald worden, er kan niet ter plekke afgerekend worden en producten worden er niet getoond), typeren we als een niet publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Deze activiteiten zijn in de herziene plannen rechtstreeks toegestaan op basis van het bestemmingsplan, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Hoe omgaan met boerderijwinkels?
Het behoud van agrarische activiteiten in West-Friesland is gewenst, onder meer vanuit het oogpunt van landschapsbeheer en leefbaarheid. Agrariërs halen steeds vaker inkomsten uit andere activiteiten dan de reguliere agrarische activiteiten. De verkoop van (eigen) producten rechtstreeks aan consumenten is hiervan een duidelijk zichtbaar voorbeeld.9We hebben het in dit verband over de verkoop van producten (detailhandel) en niet over overige activiteiten die op een boerenerf worden uitgevoerd, zoals zorg, toerisme, et cetera. Met name sinds de coronaperiode is het aantal aanvragen voor verkoop bij de boer sterk gestegen. De verwachting is dat deze neveninkomsten ook na de coronaperiode in stand gehouden blijven.
We vinden het wenselijk om hier een eenduidiger beleid op te formuleren zodat ondernemers op een gelijke manier behandeld worden. Ook willen we voorkomen dat er te grote winkels ontstaan die het ondernemerschap in de kernen zelf onder druk zetten. Als richtlijn stellen we voor:
Verkoop van agrarische producten die ter plekke of in de regio vervaardigd of bewerkt worden (boerderijwinkels) wordt onder de navolgende voorwaarden toegestaan:
Er moet sprake zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
De nieuwe functie dient ondergeschikt te zijn aan de agrarische hoofdfunctie;
De nieuwe functie mag geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van de omliggende (agrarische) bedrijven;
De maximum verkoopvloeroppervlakte (excl. opslag) van de boerderijwinkel bedraagt 50 m²;
Producten die worden verkocht moeten een relatie hebben met het agrarische bedrijf;
Maximaal 10% van het assortiment mag bestaan uit niet-bedrijfseigen producten;
Er mag ten hoogste sprake zijn van een geringe verkeersaantrekkende werking, die afgestemd is op de aanwezige infrastructuur en de activiteiten mogen infrastructureel niet leiden tot onevenredige verkeersoverlast, waarbij het parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden.
De ondergeschikte functies moeten zoveel mogelijk in de bestaande bebouwing worden gesitueerd.
De verkoopruimte moet worden geëxploiteerd door één van de leden van het huishouden dat op het perceel woont of werkzaam is in het agrarisch bedrijf. Dit om te voorkomen dat een zelfstandig geëxploiteerde winkel ontstaat op het agrarisch perceel.
De Westfriese gemeenten vertalen deze richtlijn, naar eigen afweging en invulling, de komende periode in het gemeentelijk beleid.
Hoe omgaan met nieuwe detailhandel bij grootschalige woningbouw?
De regionale detailhandelsvisie zet in op het versterken van de hoofdwinkelstructuur. We ambiëren een ruimtelijke concentratie van detailhandel in deze hoofdwinkelstructuur, waarbij de leefbaarheid van dorpen en kernen gewaarborgd blijft. Nieuwe inwoners in de regio door woningbouwontwikkeling kunnen bij de winkelvoorzieningen in de hoofdwinkelstructuur terecht. Een woningbouwontwikkeling kan dermate substantieel zijn dat er behoefte ontstaat aan dagelijkse winkelcluster (zoals een supermarkt) in de wijk zelf. We hanteren hier als ondergrens 3.000 nieuwe woningen. Met deze ondergrens kan een supermarkt voldoende omzet kan genereren zonder dat dit de hoofdwinkelstructuur onevenredig onder druk zet. Ruimtelijke toetsing (onder andere op actuele behoefte en effecten op de hoofdwinkelstructuur) en regionale afstemming is noodzakelijk.