Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.3

Niet-gebruikelijke hulp

Onderdeel van 1e wijziging Uitvoeringsregels Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2025

Als de hulp die iemand nodig heeft meer is dan wat normaal is binnen een huishouden, noemen we dat ‘niet-gebruikelijke hulp’. Als huisgenoten toch deze extra hulp bieden, dan mogen we van hen verwachten dat ze dat blijven doen, ook al is het niet gebruikelijk. Dit is omdat het gaat om hulp voor hun familielid of huisgenoot, waar ze toe in staat zijn en het lijkt redelijk om dit van hen te verwachten, zelfs als het niet gebruikelijk is. Zelfs als iemand minder is gaan werken en dus minder geld verdient om deze extra hulp te bieden, wordt dit gezien als ‘eigen kracht’, zolang dit financieel nog acceptabel is. Het doel van ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet is niet om het verlies aan inkomen te compenseren. De gemeente beoordeelt of niet-gebruikelijke hulp mogelijk is aan de hand van de volgende vragen: Is de huisgenoot beschikbaar om gebruikelijke hulp te bieden? Zijn er medische redenen waarom de huisgenoot niet kan helpen? Is de huisgenoot te zwaar belast of dreigt deze overbelast te raken? Hoe gaat de inwoner met zijn netwerk de eigen kracht vergroten? Is er professionele hulp nodig of voldoet de hulp van de huisgenoot? Ook bij het beoordelen van niet-gebruikelijke hulp kijkt de gemeente naar wat de inwoner precies nodig heeft en wat hij of zij of de ouders/verzorgers zelf nog kunnen doen, de eigen kracht. Verder wordt gekeken naar hoeveel hulp er nodig is en voor hoelang. De mogelijkheden en de draagkracht van de huisgenoten spelen hierbij een grote rol, net als hoe het huishouden is samengesteld en waar ze wonen.

Rechtspraak bij dit artikel