De bevoegdheid tot vaststelling dan wel wijziging van het omgevingsplan in de volgende gevallen te delegeren aan het college:
a. het opnemen van onherroepelijke omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan;
b. het corrigeren van kennelijke fouten in het omgevingsplan;
c. het verwijderen van regels ter bescherming van archeologische waarden, indien uit onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
d. het opstellen van regels ten behoeve van voorbescherming bij monumenten;
e. het opstellen van regels ten behoeve van spoedbescherming bij monumenten;
f. het nemen van besluiten om niet tot aanpassing van het omgevingsplan over te gaan;
g. het schrappen van regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan indien deze regels, al dan niet na aanpassing daarvan, onherroepelijk in het permanente deel van het omgevingsplan zijn opgenomen;
h. het opnemen van voorbeschermingsregels ter voorkoming van activiteiten die strijdig kunnen zijn met in voorbereiding zijnde regels of verbeelding voor het wijzigen van het omgevingsplan, alsook besluiten om niet mee te werken aan het opnemen van voorbeschermingsregels;
i. het aanwijzen van beeldbepalende bouwwerken in het omgevingsplan en het opnemen van beeldbepalende bouwwerken in de geometrie van het omgevingsplan;
j. de bevoegdheid tot vaststelling van de delen waarop in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in verbintenis met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is gegeven om dat deel te wijzigen en of uit te werken, zoals is bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de Wet ruimtelijke ordening;
k. het verwerken van uitspraken van de Raad van State, waarbij via een bestuurlijke lus opgedragen wordt het omgevingsplan van rechtswege dan wel het omgevingsplan aan te passen.