Naar hoofdinhoud
1.. Het college kent aan ieder huishouden waarvan voor het betreffende kalenderjaar het Burgerservicenummer van de meestverdienende partner is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet, jaarlijks ambtshalve de vaste tegemoetkoming voor kalenderjaren 2025 en/of 2026 en/of 2027 toe. 2.. Het college kent daarnaast de vaste vergoeding over 2025 ambtshalve toe aan het huishouden indien: het huishouden voor 2025 nog geen vaste tegemoetkoming toegekend heeft gekregen en tevens; voor 2025 het Burgerservicenummer van de meestverdienende partner in het huishouden niet is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet en tevens; op basis van de bij het college bekende gegevens over 2023 of 2024 het college vermoedt dat het huishouden aanspraak kan maken op de vaste tegemoetkoming en tevens; er zich tussentijds geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van het huishouden of de achterliggende wetten. 3.. Het college kent de vaste tegemoetkoming over de jaren 2026 en/of 2027 ambtshalve toe aan het huishouden, indien: het huishouden voor 2026 en/of 2027 nog geen vaste tegemoetkoming toegekend heeft gekregen en tevens; voor 2026 en 2027 het Burgerservicenummer van de meestverdienende partner in het huishouden niet is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet en tevens; op basis van de bij het college bekende gegevens over 2025 of 2026 het college vermoedt dat het huishouden aanspraak kan maken op de vaste tegemoetkoming en tevens; er zich tussentijds geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van het huishouden of de achterliggende wetten.

Rechtspraak bij dit artikel