De volgende algemene criteria hebben betrekking op de plaatsing van zonnepanelen op of bij bebouwing binnen de grenzen van de drie beschermde stads- of dorpsgezichten. De opbrengst is ondergeschikt aan de monumentale en/of de cultuurhistorische waarden.
Waar
Het plaatsen van zonnepanelen is toegestaan op, vanuit de openbare ruimte gezien, niet-zichtbare daken van bebouwing (hoofd- en bijgebouwen). Het plaatsen van zonnepanelen is ook toegestaan op, vanuit de openbare ruimte gezien, niet zichtbare delen van het zijerf en achtererf. Het plaatsen van zonnepanelen is niet toegestaan op een voordakvlak, aan gevels of op het voorerf (voortuin).
Om het karakteristieke beeld niet te verstoren worden zonnepanelen zo onopvallend mogelijk geplaatst.
De verschillende mogelijkheden dienen te worden onderzocht waarbij de volgende zoekvolgorde wordt gehanteerd:
Is plaatsing op het maaiveld (achtererf, eventueel zij-erf) mogelijk
plaatsing op een plat dak mogelijk.
Is plaatsing op het achter- of zijdakvlak van een aan- of bijgebouw zonder (cultuur)historische waarde mogelijk.
Is plaatsing op het achter- of zijdakvlak van een aan- of bijgebouw met (cultuur)historische waarde mogelijk.
Is plaatsing op het achter- of zijdakvlak van het hoofdgebouw mogelijk.
De plaatsing van de zonnepanelen is reversibel. De zonnepanelen inclusief installaties kunnen in de toekomst zonder beschadiging of verlies van historisch materiaal van dak of bebouwing weer verwijderd worden. Plaatsing is alleen mogelijk op harde, niet natuurlijke materialen zoals dakpannen, bitumen en zink (geen riet) en wanneer geen cultuurhistorisch waardevol groen (hagen, bomen) verwijderd wordt.
Waarop
Plaatsing op platte daken dient aaneengesloten en evenwijdig aan de dakrand te worden uitgevoerd. Uitgangspunt is dat de panelen niet of nauwelijks zichtbaar zijn. Bepalend hiervoor zijn de afstand tot de dakrand, die minimaal gelijk is aan de hoogte van het paneel, en de hoogte die de panelen boven de dakrand uitsteken, deze bedraagt maximaal 30 cm.
Plaatsing op hellende daken vlak met eenzelfde hellingshoek als het dakvlak. Per dakvlak in één rechthoekig en aaneengesloten paneelvlak waarbij de panelen allemaal in dezelfde richting (horizontaal of verticaal) liggen. Bij over verschillende panden doorlopende dakvlakken dienen de afzonderlijke legplannen op elkaar te worden afgestemd. Om de zichtbaarheid te beperken de panelen liefst onderin het dakvlak plaatsen, maar in ieder geval op minimaal 50 cm afstand van nok, goot, dakrand en hoekkepers
Uitvoering
Zonnepanelen uitvoeren in een matte egale kleur zwart zonder rand (all-black) of in een kleur die overeenkomt met de kleur van de dakbedekking. Daarbij altijd uitgaan van één type paneel per paneelvlak, dakvlak of gebouw.
Kabels en leidingen niet zichtbaar aan de buitenzijde of aan de binnenzijde van de gebouwen aanbrengen. Ook omvormers en andere installatieonderdelen dienen onzichtbaar en/of aan de binnenzijde van gebouwen te worden geplaatst.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2.4
Criteria voor zonnepanelen Algemeen
Onderdeel van Beleidsregel uiterlijk van bouwwerken Oosterhout 2025