**1..** Bijzondere bijstand voor algemene bestaanskosten aan een jongere volgens artikel 12 ban de wet wordt verleend als de jongere:
eigen (on)zelfstandige huisvesting heeft en hiervoor woonkosten of kostgeld verschuldigd is; en
de huisvesting gelet op de individuele situatie noodzakelijk is; en
geen of onvoldoende beroep kan doen op de ouders voor de kosten van het levensonderhoud.
**2..** Van een situatie als bedoeld in lid 1 is in beginsel sprake als:
de jongere uit huis is geplaats of buiten het gezinsverband is geplaatst volgende de Jeugdwet; of
er een ernstig verstoorde relatie is tussen de jongere en zijn ouder(s), waardoor de jongere niet bij zijn ouder kan blijven wonen; of
de ouders van de jongere buiten Nederland wonen en waarvan voldoende aannemelijk is dat zij niet kunnen/willen bijdragen aan de kosten van het levensonderhoud; of
de ouders van de jongere zijn overleden; of
de jongere al minimaal 12 maanden zelfstandig woont op de datum van de bijstandsaanvraag.
**3..** De hoogte van de bijzondere bijstand is het verschil tussen 95% van de bijstandsnorm voor een 21- jarige en de bijstandsnorm op het moment van de aanvraag.
**4..** De verplichtingen volgens artikel 9 van de wet gelden onverkort voor de bijzondere bijstand van de jongere.
**5..** In afwijking van artikel 8 wordt 100% van het inkomen boven bijstandsnorm als draagkracht in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.
**6..** In afwijking van lid 1 kan ook bijzondere bijstand voor levensonderhoud worden verstrekt aan een 18, 19 of 20-jarige die in een inrichting verblijft als de jongere geen of onvoldoende beroep kan doen op de ouders voor de kosten van het levensonderhoud. De hoogte van de bijzondere bijstand is dan 95% van de norm bedoeld in artikel 24 van de wet.
**7..** Dit artikel vervalt bij de inwerkingtreding van artikel van de Participatiewet in Balans (TK 2024, 36 582).
Artikel 21
– Jongerentoeslag
Onderdeel van Beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet 2025 gemeente Boekel