Naar hoofdinhoud
1.. Bijzondere bijstand voor reiskosten is mogelijk in de volgende situaties: bezoek aan een in detentie of inrichting verblijvende partner en/of minderjarige kinderen, als zij voor de detentie of verblijf in inrichting op het adres van de belanghebbende woonden en het verblijf langer dan 1 maand duurt. De reiskosten voor de eerste maand komen niet voor vergoeding in aanmerking. De frequentie wordt op basis van noodzaak individueel bepaald; bezoek aan een minderjarig uit huis geplaatst kind. De vergoeding wordt individueel bepaald, met een maximum van 1 keer per dag; studie van een minderjarig ten laste komend kind in het voortgezet onderwijs, voor zover het onderwijs niet binnen een straal van 10 kilometer van het huisadres kan worden gevolgd. 2.. Gelet op persoonlijke omstandigheden kan bij lid 1 onderdeel a worden afgeweken van de voorwaarde dat het verblijf langer dan 1 maand duurt. 3.. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten bedoeld in lid 1 als de afstand tussen het woonadres en het te bezoeken adres minder is dan 10 kilometer. 4.. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op het bedrag van het openbaar vervoer. 5.. In afwijking van lid 4 kan op verzoek een bedrag gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (2025: € 0,23 per kilometer) worden verstrekt als: openbaar vervoer niet mogelijk is of niet gevergd kan worden; of een eigen vervoermiddel beschikbaar is en de kilometervergoeding lager is dan de reiskosten van het openbaar vervoer.

Rechtspraak bij dit artikel