Bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden, van ieder type inrichting, bedrijf of activiteit, worden de volgende factoren betrokken:
type inrichting;
periode waarin de feiten zijn gepleegd. In beginsel worden alleen feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Dit geldt niet voor informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten. Daarbij wordt gekeken naar de aard en de omvang van de informatie en of sprake is van een patroon om te beoordelen of dit relevant is voor de toets op levensgedrag.
Bij de berekening van de periode van vijf jaar gelden de volgende uitgangspunten:
de pleegdatum is leidend;
de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan niet mee;
de peildatum voor het vaststellen van de periode van vijf jaar is de datum van het primaire besluit over het levensgedrag op de aanvraag van de vergunning, de tussentijdse bijschrijving van een leidinggevende dan wel de intrekking van de vergunning;
als sprake is van een patroon of een hoge frequentie van (soortgelijke) feiten, kunnen ook gedragingen of veroordelingen die langer dan vijf jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden, in de beoordeling worden betrokken;
type feiten. Er is sprake van gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de leidinggevende -als verantwoordelijke voor de exploitatie van het bedrijf of de activiteit- een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in de buurt.
Ook kan rekening worden gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig in vorenbedoelde zin worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren dat voormelde vrees rechtvaardigt;
mate van samenhang van de gedragingen met de activiteit waarvoor de vergunningplicht geldt, evenals gedragingen die een leidinggevende in de privésfeer heeft begaan kunnen bij de beoordeling worden betrokken;
de omstandigheid of er een sanctie is opgelegd en de zwaarte van deze sanctie. Het is niet vereist dat er een sanctie is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag. Bij een sepot kan het feitencomplex informatie bevatten over de houding en het gedrag van de leidinggevende die relevant is voor de toets op het levensgedrag. Het delict zelf zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over houding en gedrag wel. Een dergelijk feitencomplex zal op zichzelf staand geen weigeringsgrond opleveren;
de leeftijd op pleegdatum en huidige leeftijd van de leidinggevende. Ook feiten gepleegd als minderjarige, kunnen bij de beoordeling worden betrokken;
de omstandigheid of de leidinggevende verwijtbaar of nalatig betrokken is geweest bij een inrichting/bedrijf waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de Alcoholwet, of een inrichting/bedrijf die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, artikel 174 Gemeentewet of op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Ieder type inrichting, bedrijf of activiteit
Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente West Betuwe