Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 10

- Inwerkingtreding

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2011

Deze verordening treedt in werking 8 dagen na publicatie in de Nieuwsklok. Algemene toelichting toeslagenverordening WWB 2011 Relatie met de WWB De inkomenspolitiek is voorbehouden aan het Rijk. De raad dient op grond van artikel 30 van de WWB een verordening vast te stellen waarin de toeslagen en de verlagingen van de landelijk vastgestelde bijstandsnormen worden geregeld. Landelijk worden voor een drietal categorieën de normen vastgesteld, te weten: de alleenstaande, zijnde 50% van het minimumloon; de alleenstaande ouder, zijnde 70% van het minimumloon; de gehuwde zijnde 100% van het minimumloon. Door middel van een verordening regelt de raad de verhoging met een toeslag van maximaal 20% of de verlaging met maximaal 20%. De hoogte van de toeslag of verlaging is afhankelijk van het feit of de klant hogere of lagere algemeen noodzakelijke kosten heeft dan waarin zijn bijstandsnorm voorziet tengevolge van het niet of niet geheel kunnen delen van de woonlasten met een ander. Deze nieuwe verordening wijkt in essentie niet wezenlijk af van de verordening die door de raad is vastgesteld in 2004 al zijn er op 3 punten wijzigingen in deze nieuwe toeslagenverordening. Allereerst is met de invoering van de Wet investeren in jongeren de Wet werk en bijstand voor jongeren tot 27 jaar niet meer van toepassing . De bepalingen in deze nieuwe toeslagenverordening zijn alleen van toepassing op personen vanaf 27 tot 65 jaar. Uitsluitend de leef- en woonsituatie zijn bepalend voor de hoogte van de toeslag en de verlaging. Nieuw in deze verordening zijn de bepalingen dat alleenstaanden en alleenstaande ouders die geen zelfstandige woonruimte bewonen een toeslag krijgen van 15% van de gehuwdennorm. Door het opnemen van deze bepaling is het beleid ten aanzien van personen die geen zelfstandige woonruimte bewonen ( de kamerbewoners) helder en bestaat er geen onduidelijkheid meer voor de uitvoering van deze bepaling. Ook nieuw is de toeslag van 5% van de gehuwdennorm aan personen die bij eigen ouders ( eerstegraads bloedverwanten ) inwonend zijn. Uit jurisprudentie blijkt dat het tot de mogelijkheden behoort om de toeslag voor meerderjarige kinderen die inwonend zijn bij ouders lager vast te stellen dan voor andere medebewoners. De toeslag op nihil stellen mag niet omdat dat voorbehouden is aan de situatie dat kosten volledig met een ander gedeeld kunnen worden. Dit is slechts het geval bij een gezamenlijke huishouding. Bewust is gekozen voor een lagere toeslag om de prikkel tot uitstroom te bevorderen en het op die manier ook lonend te maken om te gaan werken. In de vorige verordening is gekozen om de toeslag van de ouder bij wie een meerderjarig kind inwonend is, vast te stellen op 20%. Ook in de nieuwe verordening is dit zo gebleven. De toeslagenverordening is een uitwerking van het idee dat de hoogte van de bestaanskosten afhankelijk is van het wel of niet kunnen delen van woonkosten. De uitkering wordt verlaagd, of een toeslag bedraagt minder dan een maximale toeslag, indien een gezin of persoon slechts een gedeelte van de woonkosten dient te betalen. Bij omstandigheden waarin deze verordening niet voorziet beslisst het college. De wet geeft hiervoor ook de mogelijkheid gelet op het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de WWB.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel