De burgemeester acht een hond hinderlijk, in de zin van artikel 2:46 APV, als een hond een persoon of een ander dier bijt, maar daarbij geen sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen. De burgemeester geeft de eigenaar/houder van de hond een waarschuwing en kan daarbij een aanlijngebod opleggen.
Het aanlijngebod geldt zolang de hond in leven is, met uitzondering van artikel 5, derde lid.