**1..** De kavelgeluidruimte (de geluidruimte vanwege het door de bedrijfsactiviteiten geproduceerd geluid minus het nestgeluid) die moet worden getoetst (bijv. in verband met een aanvraag) wordt getoetst aan het standaard kavelbudget door deze op alle beoordelingspunten van het GVP te toetsen aan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak. Beide worden berekend in het geluidverdeelmodel. Op géén van de beoordelingspunten mag de kavelgeluidruimte groter zijn dan de immissiewaarde van het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak.
Dat er wordt getoetst aan het standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak heeft als consequentie dat ook het uitsluitend veranderen van het gebruikt kaveloppervlak leidt tot een verandering van de toetswaarden.
Uitsluitend de totale geluidruimte wordt getoetst aan het totale standaard kavelbudget over het gebruikt kaveloppervlak. Er vindt géén toets per gedeelte plaats, bijvoorbeeld per geluidkavel in het geval de activiteiten verdeeld over meerdere geluidkavels plaatsvinden.
**2..** Als voor de te toetsten activiteiten bij omgevingsvergunning een grotere geluidruimte dan het standaard kavelbudget is toegestaan, dan wordt getoetst aan de geluidruimte in die vergunning.
Zoals de planregels duidelijk maken geldt die grotere ruimte uitsluitend voor de vergunde activiteiten. Bij een aanvraag om andere of nieuwe activiteiten wordt weer aan het standaard kavelbudget getoetst. Een grotere geluidruimte is dus verbonden met de vergunde activiteiten, niet met de geluidkavel of een gebruikt kaveloppervlak.
Een bedrijf kan wel zijn grotere geluidruimte inzetten voor nieuwe of gewijzigde (deel)activiteiten. Dat inzetten kan bijvoorbeeld door het treffen van (extra) maatregelen aan bestaande geluidbronnen. Of door het inleveren van een evaluatierapport waaruit blijkt dat de (daadwerkelijke) geluidruimte kleiner is dan de grotere geluidruimte.
Uitgangspunt voor de (grotere) geluidruimte in de vergunning is als regel de ruimte zoals gegeven in de grenswaarden in de geluidvoorschriften verbonden die vergunning. Het actuele reken- en beoordelingskader is namelijk nu niet anders dan ten tijde van vergunningverlening en berekening en toetsing van dezelfde geluidemissie nu zou niet leiden tot andere resultaten dan op het moment dat de vergunning werd verleend. Die berekening moet immers nog worden uitgevoerd volgens de HMRI en de beoordeling van de activiteiten is nog de regelgeving omtrent de representatieve bedrijfssituatie en het afwijken daarvan uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en daaraan gerelateerde regelgeving. Toetsing aan de grotere geluidruimte vindt dan ook als regel plaats door toetsing aan de voorschriften van die vergunning. De te toetsen immissieniveaus worden hierbij dan ook niet berekend in het geluidverdeelmodel, maar in het akoestisch model en met de versie van het rekenprogramma dat is gehanteerd voor het opstellen van de voorschriften van die vergunning.
**3..** In sommige gevallen is toetsing aan de grenswaarden in de geluidvoorschriften verbonden aan de vergunning niet goed mogelijk. Bijvoorbeeld als er in de geldende vergunning geen grenswaarden zijn gesteld. Of deze niet passend blijken op de in die vergunning aangevraagde geluidruimte bijvoorbeeld doordat zij niet (correct) zijn afgestemd op het geluidrapport bij de aanvraag om die vergunning. Of de voorschriften de geluidruimte onvoldoende borgen, bijvoorbeeld door een te beperkt aantal toetspunten en/of de ligging daarvan. In deze gevallen kan het gebeuren dat de aangevraagde geluidruimte wél aan de voorschriften voldoet, maar tóch leidt tot een significante toename van het geluid op één of meer beoordelingspunten van het GVP. Of andersom er niet aan de voorschriften wordt voldaan, terwijl het geluid op de beoordelingspunten van het GVP niet hoger is. In deze gevallen wordt een passende toetsing gezocht, waarbij de verleende vergunning het uitgangspunt is. Als regel zal hiervoor dan het geluidrapport bij de aanvraag en het daartoe behorend geluidmodel de basis vormen.
**4..** In een situatie als bedoeld in de laatste alinea van de toelichting op lid 2 kan in bepaalde gevallen voor die nieuwe of gewijzigde (deel)activiteiten – op een nieuw in gebruik genomen kaveloppervlak - een relatief grote geluidruimte ontstaan, bijvoorbeeld in het geval van een relatief kleine wijziging in geval van een groot bestaand bedrijf. Deze nieuwe of gewijzigde activiteiten worden uiteraard reeds getoetst aan BBT. Deze regel beoogt dat in zo’n geval voor de nieuwe of gewijzigde (deel)activiteiten voor zover redelijkerwijs mogelijk wordt gestreefd naar een geluidproductie die niet hoger is dan het standaard kavelbudget.
**5..** De toetsing van de nestgeluidruimte verloopt grotendeels identiek. Op één onderdeel is het anders. Een ligplaats één geheel. Het nestgeluid van alle gebruikers op één ligplaats wordt samen getoetst.
Het kan zijn dat meerdere bedrijven gelijktijdig, dat wil zeggen op hetzelfde moment binnen dezelfde etmaalperiode op dezelfde dag, gebruik maken van een ligplaats en de voorzieningen van die ligplaats die bedrijfsactiviteiten ook gelijktijdig mogelijk maken. Met de grotere nestgeluidruimte wordt daarom het verschil aangeduid met het nog niet aan het andere bedrijf vergunde deel van het nestbudget.
**6..** Voor toetsing aan een grotere nestgeluidruimte geldt hetzelfde als voor toetsing aan een grotere kavelgeluidruimte als bepaald in lid 2 en 3.
Op het moment dat het GVP in werking treedt, is in een aantal geldende vergunningen wel nestgeluid (via één of meer geluidbronnen) opgenomen, maar veelal niet met de geluidproductie volgens de richtlijnen in dit GVP. In zo’n geval zou toetsing van aan de geluidgrenswaarden in de vergunning nu wél tot andere resultaten leiden en moet dus een andere toetsing worden gehanteerd. Deze situaties zijn door ons bij het opstellen van het GVP met de ons beschikbare informatie zoveel mogelijk “vertaald” in geluidsbronnen volgens de richtlijnen in het GVP. Die vertaalde bronnen worden dan beschouwd als vergund nestgeluid.
Op het moment dat het GVP in werking treedt, is in een aantal geldende vergunning het nestgeluid nog in het geheel niet betrokken, maar waren wel bedrijfsactiviteiten vergund die nestgeluid met zich mee zouden brengen. In dat geval is geen sprake van expliciet vergund nestgeluid, maar wel van impliciet vergund nestgeluid. Voor de toetsing betekent dit dan dat de nestgeluidruimte nog niet was vergund. Bij de afweging over de toelaatbaarheid van een grotere geluidruimte zal meespelen dat de bijbehorende activiteiten al wél waren vergund.
**7..** De mutatie wordt ook getoetst op het effect op de geluidoverdracht van andere bedrijven. Immers realisatie of juist sloop van fysieke objecten kunnen vanwege het ontstaan van reflecties of wegvallen van afscherming leiden tot een toename van de geluidbelasting veroorzaakt door andere bedrijven. Hetzelfde geldt voor het toevoegen of verwijderen van een hard bodemgebied. Voor dergelijke mutaties wordt een toets uitgevoerd naar het effect op de reserve. Wanneer binnen het gebruikt kaveloppervlak geen relevante veranderingen zijn van fysieke objecten of bodemgesteldheid, kan deze toetsing vervallen.
**8..** De toetsing vindt afzonderlijk plaats voor de dag-, avond- en nachtperiode.
**9..** Bij de toetsing aan het standaard kavel- en nestbudget worden een aantal rekenregels gehanteerd. Deze voorkomen enerzijds dat marginaal grotere waarden direct leiden tot een overschrijding. Zij waarborgen anderzijds een consistente uitkomst.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3
Artikel 3
Wijze van toetsing
Onderdeel van Geluidverdeelplan Eemshaven en Oostpolder