Door het treffen van organisatorische maatregelen wordt bevorderd dat bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen de aanwezige personen het gewenste handelingsperspectief ten uitvoer brengen. De toepassing van organisatorische maatregelen is goed mogelijk indien de BHV (bedrijfshulpverlening)1Elk bedrijf is verplicht om maatregelen te treffen op het gebied van interne bedrijfshulpverlening:
veiligheidsinstructies samenvoegt met de andere veiligheidstaken (veiligheid binnen het gebouw);
regelmatig oefent;
waar nodig de faciliteiten en getroffen maatregelen in stand houdt.
De Arbo-wetgeving verplicht tot het hebben van een BHV voor bedrijven met 1 of meerdere werknemers. De onderstaande beleidsregels zijn gericht op het samenspel tussen interne en externe veiligheid.
De instructies van de BHV-organisatie moeten, naast de algemene verplichtingen, uitgebreid zijn met instructies omtrent de volgende scenario’s:
brand buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 50 meter);
explosie (Bleve) buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 300 meter);
gifwolk.
De instructies moet ingaan op:
de organisatie, taakverdeling en onderlinge communicatie van de BHV bij de onderscheiden type scenario’s;
de wijze van communicatie met hulpdiensten;
de criteria wanneer te vluchten dan wel te schuilen bij een (dreigende) calamiteit;
de wijze waarop aanwezigen in het gebouw geïnformeerd worden over de van hun gewenste handelswijze;
de vluchtroutes die bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen beschikbaar zijn;
de locaties van verzamelplaatsen buiten het gebouw die geschikt zijn om te verzamelen na een calamiteit met gevaarlijke stoffen;
de wijze waarop (en door wie) de mechanische ventilatie bij een brand- en gifwolkscenario wordt afgezet, ramen en deuren worden gesloten en de luchtcirculatie binnen het gebouw wordt geoptimaliseerd2Door het afschakelen van de mechanische ventilatie wordt voorkomen dat giftige stoffen geforceerd en in grote hoeveelheid een gebouw worden ingezogen.;
welke gebouwen/ruimten geschikt zijn om te schuilen bij een (dreigend) incident en bij welk scenario;
het beleid bij buitendeuren om bij een calamiteit personen naar binnen of buiten te laten gaan3Bij het openen van deuren kunnen gevaarlijke stoffen het gebouw versneld binnendringen.;
de wijze van samenwerking met BHV-organisaties van naastliggende panden ten tijde van een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen;
het moment van activeren van de mechanische ventilatie na de calamiteit met gevaarlijke stoffen en – indien de personen uit een gebouw geëvacueerd zijn – het moment van betreden en herstart van het gebruik van het gebouw door het personeel.
Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften opnemen waarin bepaald dat:
de instructies binnen drie maanden na ingebruikname van het gebouw, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moeten worden overgelegd. Eventuele op- en aanmerkingen door het bevoegd gezag moeten binnen een maand zijn verwerkt, waarna de instructies geïmplementeerd moeten zijn. Wanneer niet aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan is dat een reden tot handhaving.
Burgemeester en wethouders kunnen de Veiligheidsregio om advies vragen ten aanzien van de beoordeling van de instructies;
een BHV-organisatie aantoonbaar over communicatiemiddelen moet beschikken, waarmee bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen direct gecommuniceerd kan worden met de BHV-organisatie van het naastliggende bedrijf.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1
Artikel 2.1.1
BHV en gewenst handelingsperspectief
Onderdeel van Beleidsregels externe veiligheid Oostpolder, Groningen