Bij de beoordeling van de vraag of een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard noodzakelijk is, geldt het primaat van verhuizing naar een passende of een goedkoper aanpasbare woning in onze gemeente.
Indien een verhuizing in de situatie genoemd in het eerste lid naar het oordeel van het college in redelijkheid niet van de inwoner kan worden gevergd, wordt in eerste instantie onderzocht of een losse woonunit het goedkoopst en meest adequaat is.
Indien een verhuizing of een losse woonunit genoemd in het eerste en tweede lid naar het oordeel van het college in redelijkheid niet van de inwoner kan worden gevergd en niet het goedkoopst en meest adequaat is, kan een woningvoorziening van bouwkundige aard of woontechnische aard worden verstrekt.
De hoogte van een pgb voor een woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van minimaal een offerte, waarbij het uitgangspunt is dat de voorziening het goedkoopst en meest adequaat moet zijn, te beoordelen door het college.
Het college verleent alleen een financiële tegemoetkoming voor onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen indien:
de woonvoorziening door de gemeente is verstrekt, en,
belanghebbende ten tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont.
De hoogte van een financiële tegemoetkoming voor onderhoud en keuring van een woonvoorziening is gemaximeerd tot de bedragen voor de respectievelijke woonvoorzieningen.
Hoofdstuk 5
Artikel 21.
Woonvoorzieningen
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal 2025