Onverminderd het bepaalde in artikel 18a, lid 13 en 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien:
redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling voor alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en
de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
de terugvordering van de uitkering of bijzondere bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening naar aanleiding van tekort schietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid onder b van de Participatiewet;
de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.
Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:
niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid;
de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing niet nakomt; dan wel
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
HOOFDSTUK 2
Artikel 7.