In artikel 1:5 van de APV is bepaald dat een vergunning op grond van de APV persoonsgebonden is, tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. De aard van een standplaatsvergunning verzet zich niet tegen een persoonlijk karakter (flexibele standplaats uitgezonderd, zie artikel 6). Dit houdt in dat de vergunninghouder in beginsel zijn standplaats persoonlijk moet innemen.
De vergunninghouder kan op de vergunning één vervanger opnemen die bij afwezigheid van de vergunninghouder zijn/haar zaken waarneemt. Deze vervanging is wenselijk om de continuïteit van de standplaats te waarborgen. Zonder deze mogelijkheid zou de standplaats bij bijvoorbeeld ziekte of vakantie niet kunnen worden ingenomen. Dat is voor zowel de consument als de bedrijfsvoering van de standplaatshouder onwenselijk. Uitgangspunt is dat de vergunninghouder jaarlijks tenminste 50% van de tijd zelf op de standplaats aanwezig is.
Vergunningen zijn, onder voorbehoud van artikel 13, niet overdraagbaar op de vervanger. Dat is in strijd met de uitgangspunten van de schaarse vergunningen waarvoor eenieder in aanmerking moet kunnen komen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.5
Artikel 16
Persoonlijk innemen standplaats en vervanging
Onderdeel van Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2020