Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Vrijstellingen van de in artikel 2 bedoelde vergunningplicht

Onderdeel van Verordening beheer woonruimtevoorraad gemeente Vlaardingen 2025

1.. Voor de volgende categorieën van gevallen van het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte geldt een vrijstelling van het in artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet genoemde verbod: de onzelfstandige woonruimte wordt bewoond door een bewoner aan wie in het kader van een door burgemeester en wethouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning toegekende maatwerkvoorziening of toegekend persoonsgebonden budget begeleiding of behandeling wordt gegeven; per zelfstandige woonruimte is sprake van maximaal één onzelfstandige woonruimte. 2.. Aan de in het eerste lid genoemde vrijstellingen worden de volgende voorschriften en beperkingen verbonden: tenminste twee weken voordat de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde vorm van bewoning aanvangt, meldt de eigenaar van de woonruimte dit schriftelijk bij burgemeester en wethouders; uiterlijk twee weken nadat de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde vorm van bewoning eindigt, meldt de eigenaar van de woonruimte dit schriftelijk bij burgemeester en wethouders; de in het eerste lid, onder a, bedoelde onzelfstandige woonruimte is eigendom van één van de volgende rechtspersonen: Stichting Elckerlyc; Stichting Pameijer; Stichting Timon; Stichting onder één Dak; GGZ Delfland. de in het eerste lid, onder b, bedoelde onzelfstandige woonruimte: wordt door één bewoner bewoond; en is door de hoofdbewoner in gebruik gegeven of verhuurd aan de bewoner van de onzelfstandige woonruimte. 3.. Burgemeester en wethouders kunnen voor het doen van de in het tweede lid bedoelde meldingen een formulier vaststellen. In het formulier kunnen zij aangeven welke gegevens de melder bij het doen van de melding verstrekt en kunnen zij eisen stellen aan de te verstrekken gegevens.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel