Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Vordering op loon of uitkering (loonbeslag)

Onderdeel van Leidraad invordering gemeente Veere

De invorderingsambtenaar kan een vordering doen op loon, uitkering, pensioen of op andere periodieke betalingen die de belastingschuldige ontvangt. Iedere maand eist hij dan een deel van het salaris of uitkering op van de werkgever of instantie die de uitkering betaalt. Het loonbeslag gaat in op het moment dat de vordering aan de werkgever of uitkerende instantie wordt gestuurd. Deze vordering is geldig totdat de totale belastingschuld is afbetaald. De werkgever of uitkeringsinstantie is verplicht de vordering uit te voeren vanaf de eerstvolgende betaling van het loon, uitkering of pensioen. Voordat het loonbeslag kan worden gestart moet er eerst een vooraankondiging aan de belastingschuldige worden gestuurd. Beslagvrije voet De beslagvrije voet is het deel van het inkomen waar geen beslag op mag worden gelegd. De belastingschuldige moet namelijk een minimumbedrag overhouden om van te leven. De beslagvrije voet wordt volgens de wettelijke regels berekend op basis van onder andere het inkomen, de leef- en woonsituatie. Als uit de berekening blijkt dat de beslagvrije voet gelijk of hoger is dan het inkomen van de belastingschuldige, dan wordt de beslagvrije voet aangepast naar 95% van het inkomen. Bezwaar tegen beslagvrije voet De belastingschuldige kan bezwaar maken tegen de hoogte van het bedrag dat hij maandelijks krijgt (de beslagvrije voet). Daarvoor dient hij binnen 4 weken contact op te nemen met het cluster invordering van de afdeling Belastingen. Vordering (loonbeslag) opheffen Het loonbeslag stopt als de volledige openstaande schuld en de bijkomende kosten zijn betaald of als de hele belastingschuld is kwijtgescholden. De invorderingsambtenaar kan de vordering ook om andere redenen stopzetten. De werkgever of uitkerende instantie krijgt daarover bericht.

Rechtspraak bij dit artikel