Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.5

Overheidsvordering

Onderdeel van Leidraad invordering gemeente Veere

De overheidsvordering is een eenvoudige manier van beslag leggen op de betaalrekening(en) van de belastingschuldige, inclusief de kredietruimte. Het beslag heeft geen betrekking op spaarrekeningen of tegoeden op creditcards en wordt niet uitgevoerd wanneer de belastingschuldige in de schuldsanering zit of failliet is verklaard. De bank is verplicht hieraan mee te werken. Als de invorderingsambtenaar een overheidsvordering heeft gedaan, krijgt de belastingschuldige hierover een brief. De bank meldt op het bankafschrift ook dat de overheidsvordering is gedaan. De belastingschuldige kan zijn bank geen opdracht geven het bedrag terug te storten. Hoeveel mag er worden afgeschreven Overheidsvorderingen mogen plaatsvinden voor aanslagen van ten hoogste € 1.500,-. Er mag voor dezelfde aanslag maximaal twee keer per maand een overheidsvordering worden gedaan en dat maximaal drie maanden lang. De overheidsvordering zelf mag per keer maximaal € 500,- bedragen. Geldproblemen door de overheidsvordering Als de belastingschuldige geldproblemen krijgt door de uitvoering van de overheidsvordering dan kan de belastingschuldige contact opnemen met de invorderingsambtenaar. De invorderingsambtenaar maakt dan betaalafspraken over het nog te betalen bedrag en kan (een deel van) het met de overheidsvordering afgeschreven bedrag terugbetalen. Bezwaar tegen beslagvrije voet overheidsvordering De invorderingsambtenaar berekent de beslagvrije voet voordat de overheidsvordering wordt gestuurd aan de bank. Als de belastingschuldige door de overheidsvordering minder overhoudt dan deze beslagvrije voet, kan hij de invorderingsambtenaar vragen om de overheidsvordering terug te draaien. Bij het verzoek aan de invorderingsambtenaar moet de belastingschuldige: - informatie over zijn inkomen- en gezinssituatie verstrekken, zodat de beslagvrije voet berekend kan worden; - een overzicht verstrekken van alle banktegoeden op het moment dat de overheidsvordering is gedaan; - aangeven of op het moment dat de overheidsvordering werd gedaan ook al beslag op het loon was gelegd (of er al geld van zijn salaris werd ingehouden). De invorderingsambtenaar bepaalt op grond hiervan de beslagvrije voet. Vermogenstoets Als blijkt dat de overheidsvordering te hoog was, controleert hij hoeveel geld belastingschuldige op dat moment op zijn bankrekening(en) had staan. Dit heet een vermogenstoets. Deze vermogenstoets is belangrijk. Want iemand met weinig of geen inkomen, maar wel met spaargeld, kan niet zomaar zeggen dat hij te weinig geld overhoudt. De gemeente wil voorkomen dat belastingschuldigen met spaargeld de vordering laten terugdraaien, terwijl ze het geld wél hebben. Wat als er al loonbeslag is gelegd? Als er al beslag op het loon is gelegd (bijvoorbeeld via een gerechtsdeurwaarder), dan kijkt de invorderingsambtenaar naar het bedrag dat de belastingschuldige op zijn bankrekening krijgt. Dit bedrag zou normaal overeen moeten komen met zijn beslagvrije voet. Als hij toch minder ontvangt door de overheidsvordering, dan wordt dat meegenomen in de beoordeling. Geen spaargeld aanwezig? Als de belastingschuldige geen spaargeld heeft, en ook minder geld overhoudt dan zijn beslagvrije voet, dan gaat de invorderingsambtenaar er – tenzij er iets bijzonders speelt – vanuit dat de overheidsvordering inderdaad onterecht is. Terugwerkende kracht Let op: als blijkt dat de beslagvrije voet niet juist is vastgesteld, wordt alleen de laatste overheidsvordering vóór het verzoek om herberekening hersteld. Het geldt dus niet met terugwerkende kracht voor eerdere vorderingen.

Rechtspraak bij dit artikel