Naar hoofdinhoud

Artikel 2

- Algemene bepalingen

Onderdeel van Beleidsregel inkomensondersteuning Bernheze Participatiewet 2025

1.. De bevoegdheid in artikel 35 lid 2 van de wet wordt niet gebruikt. 2.. Bij bijzondere bijstand wordt gekozen voor de goedkoopste adequate oplossing. 3.. Bij meerdere mogelijke besluiten wordt gekozen voor het gunstigste besluit voor de inwoner. 4.. Geen afwijking vindt plaats ten aanzien van het bepaalde in artikel 15 van de wet, tenzij anders is bepaald. 5.. Het Participatiebudget wordt voor kosten die noodzakelijk zijn voor de re-integratie, dan wel het aanvaarden, behouden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede voor kosten die noodzakelijk zijn voor sociale activering, als passende en toereikende voorliggende voorziening aangemerkt. 6.. De Wgs wordt voor kosten die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van een minnelijke schuldregeling op grond van de Wgs als passende en toereikende voorliggende voorziening aangemerkt. 7.. De Wet inburgering wordt voor kosten die noodzakelijk zijn voor het inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering aangemerkt als passende en toereikende voorliggende voorziening. 8.. De regeling Maatschappelijke participatie, (vanaf 2026 Meedoenregeling), wordt gezien als passende en toereikende voorliggende voorziening voor: telefoonkosten en kosten voor gebruik van internet; sport; culturele activiteiten; vrijwillige educatie. 9.. De Zvw wordt gezien als passende en toereikende voorliggende voorziening voor alle medische kosten. 10.. De Wmo en Wlz worden gezien als passende en toereikende voorliggende voorziening voor zorgkosten. 11.. Artikel 31 lid 2 en artikel 33 lid 5 van de wet zijn voor deze regels ook van toepassing, tenzij in deze beleidsregel anders is bepaald. 12.. Bij de bepaling of het in aanmerking te nemen inkomen minder is dan de van toepassing zijnde inkomensgrens kan het college gebruik maken van bruto-bedragen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel