Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 12.

Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

Onderdeel van Verordening maatregel IOAW IOAZ Oisterwijk 2010

1. Rekening houdend met artikel 4, eerste lid, legt het college, met in achtneming van Artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, een maatregel op voor de duur van minimaal 1 maand indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder aantoonbare redenen dat hij/zij betreffende functie niet meer zou kunnen uitvoeren. 2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan 100% voor de belanghebbende geldende uitkeringsnorm 3. Een verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel