Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 10.

Termijnen van betaling.

Onderdeel van Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrecht Bedrijfsafval Amsterdam 2026

1.. De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later. 2.. Indien op basis van artikel 8, tweede lid, een machtiging tot automatische incasso werd afgegeven, moeten de aanslagen worden betaald respectievelijk worden de aanslagen geïncasseerd in acht gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn een maand later. 3.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is een voorlopige aanslag voor de belasting die wordt geheven naar de maatstaf van heffing zoals omschreven naar artikel 5, eerste, tweede en derde lid invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee bedraagt. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijn telkens een maand later. 4.. De definitieve aanslag voor de belasting die wordt geheven naar de maatstaf van heffing zoals omschreven naar artikel 5 derde lid, wordt opgelegd na afloop van het heffingstijdvak. 5.. Met betrekking tot een ingevolge art. 2, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de genoemde aanslagen 6.. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid genoemde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel