Indien in het begeleiden van een leerling door de ouders of anderen, zoals gesteld in artikel 8 en 22 van de Verordening het gezin ernstig wordt benadeeld, kan de ouder worden vrijgesteld van begeleiding en kan een voorziening in de vorm van aangepast vervoer worden toegekend. Er wordt rekening gehouden met van de ouders redelijkerwijs te vergen inzet. Uiteraard indien er voldaan wordt aan de in de Verordening in hoofdstuk 3 genoemde beoordelingscriteria. Van ouders wordt geen begeleiding verlangd c.q. er is sprake van redelijkerwijs te vergen inzet van ouders, indien er aantoonbaar sprake is van minimaal één van onderstaande situaties:
De ouder van een eenoudergezin kan niet langer zijn/haar werk uitoefenen als hij zorg moet dragen voor de begeleiding naar school van zijn kind. Het volgen van een (re-)integratietraject of voltijdsopleiding wordt gelijkgesteld met werk. In deze gevallen kan een inschrijfbewijs van de opleiding worden opgevraagd;
Er sprake is van een eenoudergezin waar nog een ander jonger kind is dat, gelet op de leeftijd van het kind in kwestie niet geacht kan worden zelfstandig naar school te gaan, en tevens vaststaat dat de ouder de begeleiding van het ene kind niet kan combineren met het vervoeren van en naar school van het andere kind.
Er structurele medische redenen zijn die langer dan drie maanden duren en die ouders belemmeren hun kind te begeleiden. In deze gevallen kan een (medische) verklaring worden opgevraagd;
De reistijd van de begeleidende ouder, om de betrokken leerling naar school te begeleiden meer dan 3 uur totaal per dag in beslag neemt;
Bij een tweeoudergezin en combinatie van bovenstaande leidt tot eenzelfde ernstige benadeling.
Het enkele feit dat beide ouders werken is geen reden om aangepast vervoer toe te kennen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 9.
Ernstige benadeling van het gezin
Onderdeel van Beleidsregels Voorzieningen Leerlingenvervoer Midden-Limburg, gemeente Weert 2026