Voor het realiseren en het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem binnen de grenzen van het interferentiegebied Mercatorpark geldt:
Het open bodemenergiesysteem dient te worden uitgevoerd als een monobronsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket (tot 210 m-mv).
Open bodemenergiesystemen uitgevoerd als doublet of als recirculatiesysteem zijn niet toegestaan.
De monobron(-nen) moeten binnen de aangegeven zoekgebieden worden gepositioneerd.
Tussen de monobronnen dient een minimale afstand van 50 m aangehouden te worden.
Bij toepassing van een monobronsysteem dient het koude bronfilter boven het warme bronfilter geplaatst te worden.
Het bovenste koude bronfilter dient op een diepte tussen 120 tot 135 m-mv geplaatst te worden met een minimale filterlengte van 10 m.
Het onderste warme bronfilter dient dieper dan 170 m-mv geplaatst te worden met een minimale filterlengte van 10 m.
De monobron heeft een maximale waterverplaatsing van 90.000 m3/seizoen.
Het bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem in de bodem is toegevoegd gelijk is aan de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt.
Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan één of meerdere beleidsregel(s) te voldoen, kan afgeweken worden van de beleidsregel(s). Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een schriftelijke goedkeuring van de gemeente Amsterdam, bij de vergunningaanvraag op grond van de Omgevingswet gevoegd worden en ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied worden voorgelegd.
Artikel 2.1
Open bodemenergiesystemen
Onderdeel van Beleidsregels bodemenergie voor het interferentiegebied Mercatorpark