Pleistocene landschap
De pleistocene ondergrond in de gemeente IJsselstein bestaat uit afzettingen van grove zanden en grind die werden afgezet door voorlopers van de Rijn.34De sedimenten worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (Busschers & Weerts 2003). In de noordelijke helft van de gemeente zijn deze rivierafzettingen bedekt door een dun pakket eolische dekzanden.35Het dekzand wordt gerekend het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel (Schokker et al. 2003). Voor de opbouw en diepteligging van de pleistocene ondergrond zijn verschillende bronnen/datasets beschikbaar. De 'top pleistoceenkaart' van de RCE/Deltares, geeft een globaal beeld van de diepteligging van de pleistocene ondergrond (Figuur 3-2: linksboven). Omdat niet bekend is op welke data de kaart is gebaseerd, is niet duidelijk wat de betrouwbaarheid ervan is. In het DINOloket is een dataset met de hoogteligging van de bovenzijde van de dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel) en van de Formatie van Kreftenheye beschikbaar ('GeoTOP-model'; Figuur 3-2: rechtsboven). Dit is een driedimensionaal geologisch model van de ondiepe ondergrond (tot maximaal 50 m -NAP) dat de grondsoort en laagopbouw bevat. De resolutie van het model is 100 x 200 m (horizontaal) en 0,5 m (verticaal).36Stafleu et al. 2019. Als alternatief is gekozen voor een interpolatiemodel, waarbij gebruik is gemaakt van de afzonderlijke datasets met boorgegevens die ook aan het GeoTOP-bestand ten grondslag liggen (Figuur 3-2: linksonder).37Voor de interpolatie van het dekzandoppervlak is gebruik gemaakt van de inverse distance-interpolatie van Mapinfo/Vertical Mapper (met de volgende parameters, cellgrootte: 25 meter, zoekstraal: 2000 meter, exponent: 6). Het gaat om boringen waarin de afzettingen van de Formatie van Boxtel of de Formatie van Kreftenheye zijn aangetroffen.
Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen.
De gehanteerde dataset omvat voor de gemeente IJsselstein slechts 63 boringen.38Verder staan in het DINOloket nog circa 150 boringen in de gemeente IJsselstein geregistreerd, die niet tot in de pleistocene ondergrond reiken. Uit de boringen en het geïnterpoleerde hoogtemodel blijkt dat de bovenzijde van de pleistocene afzettingen tussen 4 en 8 m -NAP ligt. De afzettingen liggen het hoogste in het noordelijk deel van de gemeente en dalen zeer geleidelijk in zuid(westelijk)e richting. Omdat het maaiveld in de komgebieden tussen 0 en 1 m -NAP varieert, kan het laat-pleistocene oppervlak in het delen van de gemeente plaatselijk al binnen 3 m -mv worden aangetroffen. Het aantal beschikbare geologische waarnemingen (boringen) is evenwel te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van de intactheid, opbouw en reliëf van het pleistocene landschap te krijgen.
Uit de (beperkte hoeveelheid) geologische boringen die tot in de pleistocene ondergrond zijn doorgezet, blijkt dat delen van het pleistocene oppervlak zijn afgedekt met basisveen (Figuur 3-3).39DINO-loket: boringen B31G0403, B31G0409, B38E1396, B38E1399, B38E1458, B38E1459, B38E1468, B38E1470, B38E1475, B38E1476, B38F1468 ,B38F1529, B38F1530, B38F1531, B38F1532, B38F1533, B38F1534, B38F1535, B38F1542, B38F1580, B38F1583 en B38F1752. Dit impliceert dat het onderliggende pleistocene dekzandlandschap ter hoogte van deze boringen hoogstwaarschijnlijk nog intact is. Verder suggereren de boringen dat het pleistocene landschap ter hoogte van de holocene stroomgordels waarschijnlijk is geërodeerd en niet meer intact is. (Figuur 3-3).40Vgl. DINO-boringen B38E1468, B38E1775, en B38E1776.
Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact.
Meandergordels
Gedurende het Holoceen is een groot aantal (meer dan 20) verschillende rivierlopen actief geweest op het grondgebied van de gemeente IJsselstein (Figuur 3-4). De afzettingen van deze stroomgordels kunnen op verschillende dieptes worden aangetroffen. De doorgaande opvulling van de riviervlakte zorgde ervoor dat de afzettingen van deze rivieren niet alleen naast, maar ook boven elkaar liggen. Voor de begrenzing van de meandergordels (de zandbanen) is uitgegaan van de publicatie van de Universiteit Utrecht uit 2012, die de meest betrouwbare, vlakdekkende gegevensset vormt.
De vroegere rivierlopen betreffen verschillende afwateringstakken van het Rijnsysteem en zijn op grond van onder meer ouderdom, brongebied, afwateringsrichting en debiet onderverdeeld in een viertal stroomstelsels, te weten het Benschopse, Graafse, Linschotense en Krimpense stroomstelsel. Een overzicht van de verschillende stroomgordels en meandergordels/stroomgordels is weergegeven in Figuur 3-4 en Tabel 3.4).
Oeverzones en crevassen
Direct grenzend aan de meandergordels zijn op de kaart op enkele plaatsen oeverzones te onderscheiden. In deze zones zijn vanuit de meandergordel bij hoge waterstanden relatief zandige en/of siltrijke sedimenten afgezet, terwijl verder van de meandergordels af voornamelijk alleen het fijnste sediment in de vorm van klei is afgezet. Het gaat om ‘zwevende’ of ook wel ‘ongefundeerde’ oeverpakketten, met daaronder weer zwaardere komklei-afzettingen. De oeverzones zijn herkenbaar aan een relatief hoge ligging van het maaiveld, wat deze zones in het verleden aantrekkelijk maakte voor bewoning en andere activiteiten. De op de kaart weergegeven oeverzones zijn in hoofdzaak gebaseerd op de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.41Berendsen 1982: de ongefundeerde oeverzones komen op deze kaart overeen met kaarteenheid Fs5. Dezelfde kaart vormt het uitgangspunt voor de door Pierik weergegeven ongefundeerde oeverzones.42Pierik 2017: digitale bijlage. Aanvullend zijn op basis van het AHN-beeld en/of boorgegevens uit het DINO-loket kleine oppervlakken met oeverzones toegevoegd. Daarnaast is langs de Noord IJsseldijk een door Berendsen als dijkdoorbraakafzetting gekarteerde zone, geherinterpreteerd als omvangrijke oeverzone. Er zijn namelijk geen aanwijzingen voor een dijkdoorbraak.
Opvallend is dat binnen de gemeente IJsselstein de meeste oeverzones maar zeer beperkt in breedte zijn. Op veel plaatsen zijn zelfs helemaal geen oeverzones aan het maaiveld te herkennen en/of in boringen vastgesteld. Dit lijkt erop te duiden dat de top van de meandergordels in eerste instantie niet of maar nauwelijks boven het omliggende komgebied uitkwamen. Als gevolg van differentiële klink is dit hoogteverschil in de loop van de tijd toegenomen.
Overigens moet worden opgemerkt dat ook ter hoogte van de meandergordels overal oeverafzettingen voorkomen. Deze dekken de zandige beddingafzettingen af en zijn afgezet vanuit de actieve Rijngeul van betreffende meandergordel. Oeverafzettingen kennen doorgaans een aflopend profiel met van beneden naar boven steeds zwaardere (kleiigere) afzettingen. Deze opbouw weerspiegelt het geleidelijk steeds rustigere sedimentatiemilieu samenhangend met de grotere afstand tot de actieve geul en met afnemende overstromingskans naarmate het oeverpakket in dikte toeneemt. De top van de oeverafzettingen vormt veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau.
Behalve oeverzones zijn ook enkele crevassen en crevasse-complexen gekarteerd. Het betreft duidelijke, veelal dwars op de meandergordel georiënteerde relatief zandige en/of siltrijke banen, die zijn ontstaan als gevolg van plaatselijke oeverwaldoorbraken. De meeste crevassen lopen na enige honderden meters dood in het komgebied. Ook crevassen zijn in deze regio ongefundeerd met daaronder komklei-afzettingen. Vanwege de relatief zandige opbouw hebben de crevassen een hogere ligging en waren daarmee aantrekkelijke voor bewoning en andere activiteiten. Binnen de oeverzones kunnen ook crevassen voorkomen.
De meeste op de kaart weergegeven crevassen zijn afkomstig van de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.43Berendsen 1982. Een enkele is als antropogene vergraving herkend en niet opgenomen in het kaartbeeld.
Komgronden
Buiten de meandergordels, oeverzones en crevassen, wordt het bodemprofiel gedomineerd door dikke pakketten met zware klei, al dan niet met venige insluitingen. Deze pakketten zijn gevormd op enige afstand van de actieve rivier waar bij hoge waterstanden alleen het lichtste sediment; de kleifractie, kon reiken en sedimenteren. In periode zonder noemenswaardige overstromingen kon hier ook veenvorming optreden. Door fixatie van de rivierstromen binnen bepaalde delen van de riviervlakte kon het pakket met veen en komkleien in de loop van de tijd verder toenemen. Aangezien een komkleipakket een hoge weerstand heeft, werden de riviertaken steeds meer gefixeerd binnen de bestaande zandbanen, naarmate dit kleipakket in dikte toenam.
Figuur 3-4. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al. 2012.
naam meandergordel
begin- en eindsedimentatie
hoogste voorkomen
(14C jaren BP)
(cal 14C jaren BP)
beddingzand (in m NAP)
Benschopse systeem
Benschop
(7600-5800)
(8368-6125)
-4,0 tot -7,0
Tienhoven
(7350-6260)
(7788-7175)
-0,9 tot -1,4
Kortenhoeven
(7100-6260)
(8368-7175)
-2,3 tot -5,5
Willeskop
(6950-6300)
(7274-6635)
-4,0 tot -6,4
Wiersch
(6500-5800)
(7582-6636)
-2,5 tot -4,0
Autena
(6110-5350)
(6974-6125)
0,4 tot 0,1
Graafse sysyeem
Kapel
(5350-4920)
(6125-5650)
-1,0 tot -2,1
Vuylkop
(5350-3795)
(6125-4148)
1,1 tot 0,2
Buitenzorg
(4900-4455)
(5619-5020)
-1,1 tot -1,4
Linschotense systeem
Lage Dijk
(4900-3795)
(5619-4148)
-0,5 tot 0
Neder-Oudland
(4455-3950)
(5020-4424)
-0,3 tot 0
Lampsin
(4365-3100)
(4872-3309)
-0,4 tot 0
Over-Oudland
(4365-3000)
(4872-3187)
-0,1 tot -0,2
Vechgel
(4000-3450)
(4437-3831)
-0,1 tot -0,2
Stuivenberg
(3960-3180)
(4414-3379)
-0,2 tot -0,8
Blok
(3795-3000)
(4148-3187)
-0,1 tot -0,6
Jutphaas
(3795-2715)
(4148-2784)
1,7 tot -0,6
Meijerberg
(2800-760)
(2871-669)
Hagestein
(2514-1050)
(2634-943)
2,8, tot 2,2
Hollandse IJssel (boven 2)
(2514-665)
(2634-650)
Krimpen systeem
Lek (onbedijkt)
(1950-850)
(1879--50)
10,2 tot 3,0
Hollandse IJssel
(1900-665)
(1617-650)
2,1 tot 1,6
Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012).
Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016).
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2.2
Landschappelijke eenheden
Onderdeel van Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein