**1..** Relevantie van gedragingen
Bij de beoordeling van het levensgedrag worden uitsluitend gedragingen betrokken die relevant zijn voor de aangevraagde of verleende vergunning. Relevante gedragingen zijn gedragingen die risico’s opleveren voor de openbare orde, veiligheid, het woon- en leefklimaat of – in het geval van een Alcoholwetvergunning – de volksgezondheid.
De volgende categorieën gedragingen zijn in ieder geval relevant:
– geweldsdelicten;
– drugsfeiten (Opiumwet of onrechtmatig handelen in genees- of genotmiddelen);
– wapenbezit of -gebruik;
– heling;
– zedendelicten of mensenhandel;
– discriminatie;
– witwassen, sociale zekerheidsfraude, arbeidsuitbuiting, subsidiefraude of -misbruik;
– fiscale fraude of het niet nakomen van verplichtingen op grond van de Invorderingswet of Algemene Wet inzake Rijksbelastingen;
– valsheid in geschrifte, o.a. bij aanvragen of in de bedrijfsvoering;
– gedragingen waaruit blijkt dat aanwijzingen of bevelen van toezichthouders of politie worden genegeerd, of dat sprake is van ondermijnend gedrag tegenover ambtenaren in functie, zoals het herhaaldelijk niet naleven van controle-instructies of het beledigen van toezichthouders;
– gedragingen of nalatigheden die hebben geleid tot bestuursrechtelijke maatregelen tegen een inrichting of evenement, zoals sluiting, waarschuwingen of lasten, voor zover deze gedragingen redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de betrokkene op basis van zijn of haar rol, verantwoordelijkheid of betrokkenheid.
– overtredingen van de APV of vergunningvoorschriften die verband houden met de exploitatie van de onderneming of het evenement;
– ordeverstoringen waarbij de betrokkene direct betrokken was.
Voor specifieke vergunningen gelden aanvullingen:
Alcoholwetvergunning: relevant zijn onder meer gedragingen als rijden onder invloed, openbare dronkenschap, overtredingen van de Alcoholwet en de gedragingen genoemd in artikel 3:4, eerste lid, van het Alcoholbesluit. Deze gedragingen kunnen ook worden meegewogen als geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling of wanneer niet is voldaan aan het tweede of derde lid van dat artikel.
Aanwezigheidsvergunning: gedragingen als genoemd in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, van het Speelautomatenbesluit 2000 worden bij de beoordeling van het levensgedrag betrokken. Dit geldt ook indien geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden van dat artikel.
Overige gedragingen worden alleen meegewogen indien sprake is van een patroon dat wijst op structureel normafwijkend gedrag. Een op zichzelf staand feit dat niet relevant lijkt, kan toch worden betrokken als het in samenhang met andere gedragingen duidt op slecht levensgedrag.
Door deze systematiek en opsomming is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste: betrokkenen kunnen vooraf weten welke gedragingen tot een negatieve beoordeling kunnen leiden.
**2..** Aannemelijkheid
Een gedraging hoeft niet onherroepelijk strafrechtelijk bewezen te zijn om mee te wegen. Ook feiten en omstandigheden die op andere wijze aannemelijk zijn gemaakt, kunnen worden betrokken bij de beoordeling. Dat geldt ook voor gedragingen die niet hebben geleid tot een vervolging, veroordeling of formele sanctie.
De burgemeester beoordeelt of een gedraging voldoende aannemelijk is op basis van het geheel van beschikbare informatie, waaronder ook bestuursrechtelijke gegevens.
**3..** Tijdsverloop
In beginsel worden alleen gedragingen uit de vijf jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment betrokken. Oudere gedragingen kunnen echter ook worden meegewogen, mits de burgemeester motiveert waarom zij:
relevant zijn voor de exploitatie van de onderneming of het evenement;
niet gering zijn; en
ondanks het tijdsverloop nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van betrokkene.
Oudere gedragingen kunnen daarnaast bijdragen aan het duiden van meer recente gedragingen of onderdeel zijn van een breder patroon. Ook gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel kunnen in dat kader worden meegenomen. Dit vormt geen terugwerkende kracht, maar een beoordeling op basis van relevante context.
**4..** Weging en proportionaliteit
De burgemeester beoordeelt per geval of sprake is van slecht levensgedrag. Daarbij geldt:
– één ernstige gedraging kan voldoende zijn;
– bij lichtere feiten is cumulatie vereist;
– de gedragingen worden in onderlinge samenhang én in relatie tot de aard van de vergunning beoordeeld.
De beoordeling houdt altijd rekening met proportionaliteit: het besluit moet in verhouding staan tot de aard, frequentie en ernst van de gedragingen én tot het risico voor de omgeving of het publieke belang.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Beoordelingsaspecten
Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag Eindhoven 2025