Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 2.

Het opleggen van een verlaging

Onderdeel van Verordening afstemming 2009 Wet investeren in jongeren

Eerste lid De WIJ verbindt aan het recht op een inkomensvoorziening de volgende verplichtingen: Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Verplichting met betrekking tot de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod (artikel 45 van de WIJ). Deze plicht bestaat uit: mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; geen onredelijke eisen te stellen in verband met door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid; mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling; opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten; op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard. De inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ); De medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ); De identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ). De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Tot 1 januari 2009 was dit geregeld in artikelen 28, tweede lid en 29, eerste lid van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Per 1 januari 2009 is dit neergelegd in artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet Suwi. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de UWV te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op inkomensvoorziening, het geldend maken van het recht inkomensvoorziening of de hoogte of de duur van de inkomensvoorziening. Tweede lid In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de WIJ-norm. In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Onder de ernst van de gedraging wordt verstaan: de objectiveerbare en feitelijke gedraging. Hierbij speelt een afweging gericht op de persoon nog geen rol. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5, eerste lid. Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld het volgen van een schuldsaneringstraject in het kader van de WSNP; sociale omstandigheden, bijvoorbeeld gezinsomstandigheden of een opeenstapeling van sociale en financiële problemen. Horen van de belanghebbende In deze verordening is ervoor gekozen om geen artikel over het horen op te nemen, omdat het niet in alle gevallen nodig is om tot een zorgvuldige voorbereiding van een besluit tot het opleggen van een verlaging te komen. Het verplicht horen van de belanghebbende kost veel tijd en er is in de bezwaarfase nog een mogelijkheid om de belanghebbende te horen. Toch is het in de meeste gevallen aan te bevelen de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Het horen kan dan telefonisch, in een persoonlijk gesprek, of schriftelijk gebeuren. Situaties waarin het horen achterwege gelaten kan worden zijn: bij spoedeisende zaken, waarbij „lik op stuk‟ gewenst is; indien de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11 van de WIJ werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de WIJ; of het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel