De burgemeester beoordeelt of een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is en of er een mate van gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob in ieder geval op basis van de volgende aspecten:
Aard en de ernst van de feiten en omstandigheden
Bij de toets wordt gekeken naar uit het onderzoek gebleken feiten en omstandigheden en/of gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de betrokkene als verantwoordelijke voor het evenement de veiligheid, de openbare orde of het woon- en leefklimaat, nadelig kan beïnvloeden. In de bijlage behorend bij deze beleidsregel is een niet-limitatieve lijst opgenomen van feiten en gedragingen die in ieder geval relevant zijn en worden meegewogen bij de beoordeling van het levensgedrag.
Aantal feiten en omstandigheden
Bij de toets speelt het aantal feiten en gedragingen dat naar voren komt een rol. Daarbij wordt ook gekeken naar een mogelijk patroon. Ook wordt rekening gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig kunnen worden beschouwd, maar die in samenhang bezien met andere gedragingen als een bepaald gedragspatroon kunnen worden beschouwd waaruit blijkt dat de betrokkene de voor hem geldende wet- en/of regelgeving niet of niet naar behoren naleeft. Ook in dat geval kan er vrees bestaan voor de aantasting van het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid.
Type evenement of activiteit
Verschillende evenementen of activiteiten kennen verschillende risico’s en verantwoordelijkheden. Bij iedere beoordeling weegt mee welke risico’s en verantwoordelijkheden verbonden zijn aan de vergunning die nodig is voor een specifiek evenement of activiteit.
De periode waarin de feiten zijn gepleegd
In beginsel worden enkel de feiten en gedragingen meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag en de mate van gevaar die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het te nemen besluit op basis van de onder artikel 3 opgevraagde informatie zijn gebleken dan wel zijn geconstateerd of in deze periode bij rechterlijke uitspraak zijn komen vast te staan. Daarbij heeft te gelden dat dit betekent dat feiten kunnen worden meegenomen met een oudere pleegdatum of –periode dan vijf jaar, maar die binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan het te nemen besluit zijn geconstateerd of aannemelijk zijn geworden.
Opgelegde straf of maatregel
Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist voor de vaststelling dat sprake is van slecht levensgedrag of de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob. Wanneer een betrokkene echter strafrechtelijk is veroordeeld, weegt dit mee in de beoordeling. Ook de soort, hoogte en zwaarte van de opgelegde straf of maatregel weegt in dat geval mee in de beoordeling. Feiten die door het Openbaar Ministerie middels een transactie zijn afgedaan, worden ook bij de beoordeling betrokken.
Ook indien een persoon niet is vervolgd door het Openbaar Ministerie of sprake is van een sepot kunnen de gedragingen meegewogen worden. Indien een bepaalde gedraging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid, betekent dat dus niet dat deze gedraging niet heeft plaatsgevonden. Het is namelijk heel goed mogelijk dat er strafrechtelijk onvoldoende bewijs is, maar dat er wel sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden of aannemelijk maken dat de betrokkene bepaalde gedragingen heeft begaan.
Feiten die zijn geseponeerd kunnen worden betrokken bij de beoordeling, echter niet als een zelfstandige weigeringsgrond.
Opgelegde strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen wegen mee in de beoordeling. Het is niet vereist dat er strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregelen zijn opgelegd voor de vaststelling dat sprake is van slecht levensgedrag, maar wanneer dit heeft plaatsgevonden weegt dit mee in de beoordeling.
Aannemelijkheid
De gedragingen die worden meegewogen bij de beoordeling omtrent het levensgedrag en gevaar moeten aannemelijk zijn. De beoordeling of een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, vindt plaats in een bestuursrechtelijk kader. Daarvoor is niet vereist dat iemand (onherroepelijk) is veroordeeld wegens een strafbaar feit door de strafrechter. Strafrechtelijke bewijsregels zijn derhalve hierop niet van toepassing.
Artikel 4.
Beoordelingsaspecten
Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag en bibob-toets bij evenementen gemeente Haarlem 2025