1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een werknemersvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, sub c van de Parkeerverordening 2010 (categorie III) door middel van automatische incasso in 12 maandelijkse termijnen van de betaalrekening van de belastingschuldige worden afgeschreven. De incassotermijnen vervallen aan het einde van de maand.
4. Een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234 van de Gemeentewet moet terstond worden betaald.
Artikel 8
Termijnen van betaling
Onderdeel van nr 04.24 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2011