Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
houder: degene die naar omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 475, zoals laatstelijk gewijzigd bij de wet van17 november 1994, Stb. 858) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;
belanghebbendenplaats: een weggedeelte op het vrachtwagenparkeerterrein dat is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het R.V.V. 1990, waarop alleen geparkeerd mag worden door vergunninghouders.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2010