In situaties die hiervoor niet zijn benoemd dan wel sprake is van een combinatie van situaties als hiervoor benoemd, geldt het volgende: wanneer de bedrijfsvoering van een vergunninghouder en/of leidinggevende leidt tot ernstige overtredingen of wanneer de vergunninghouder, de leidinggevende of zijn/haar personeel bij deze overtredingen op een ontoelaatbare wijze betrokken is/zijn geweest, op enigerlei wijze verwijtbaar hebben gehandeld of de openbare orde op ernstig wijze heeft/hebben verstoord en waarbij voornoemde maatregelen naar het oordeel van de burgemeester niet afdoende effectief zijn, kan de burgemeester besluiten tot sluiting van een inrichting voor een nader te bepalen en gemotiveerde periode.
De burgemeester meent dan dat de vergunninghouder en/of de leidinggevende met zijn/haar bedrijfsvoering een gevaar vormt voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat en treft maatregelen om een verstoring daarvan in de toekomst tegen te gaan. Dit geldt eveneens wanneer een vergunninghouder en/of leidinggevende bepalingen van de APV overtreedt en zich door de sancties niet genoodzaakt voelt zijn/haar bedrijfsvoering dusdanig aan te passen dat hij/zij overtredingen in de toekomst voorkomt. De burgemeester kan in dat geval oordelen dat hij zijn vertrouwen in de desbetreffende vergunninghouder is kwijtgeraakt en besluiten tot sluiting van de inrichting voor een nader te bepalen en gemotiveerde periode.