Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 14

Woonkostentoeslag

Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Midden-Delfland 2026

1.. De belanghebbende, wonende in een huurwoning, die geen of onvoldoende beroep kan doen op de Wet op de huurtoeslag, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag. 2.. De hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag. 3.. Indien de kale huur meer bedraagt dan de maximale huurgrens, zoals vastgesteld in de WHT, bedraagt de woonkostentoeslag het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur. 4.. Ook belanghebbenden die in een eigen woning wonen, kunnen in aanmerking komen voor een woonkostentoeslag. Voor het berekenen van de hoogte van de woonkostentoeslag wordt aangesloten bij de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. 5.. Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning worden de volgende kosten van de door belanghebbende daadwerkelijk bewoonde woning in ogenschouw genomen: hypotheekrente, gecorrigeerd na belastingteruggaaf; eigenaarsdeel onroerend zaakbelasting; eigenaarsdeel waterschapslasten; premie opstalverzekering; premies voor verzekeringen tegen brand- en stormschade; bijdrage Vereniging van Eigenaren exclusief eventuele stookkosten. 6.. Indien de kosten genoemd in het vijfde lid meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning. 7.. Wanneer een woonkostentoeslag wordt toegekend op grond van een rekenhuur hoger dan de maximale huurgrens wordt een verhuisverplichting opgelegd, tenzij er aantoonbare sociale en/of medische redenen aanwezig zijn, waardoor in redelijkheid niet van de belanghebbende kan worden verwacht dat hij verhuist. 8.. Indien de verhuisverplichting wordt opgelegd, wordt de woonkostentoeslag voor een maximale periode van zes maanden toegekend. Deze periode kan steeds met maximaal zes maanden worden verlengd, indien de belanghebbende aantoonbaar en actief op zoek is naar goedkopere woonruimte.

Rechtspraak bij dit artikel