** 1. .** De algemene weigeringsgronden uit artikel 4b lid 1 APV zijn van toepassing. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
Hier gaat het om het effect dat de standplaats heeft in de openbare ruimte. Een standplaats heeft een aantrekkende werking die bijvoorbeeld kan leiden tot vervuiling van de omgeving, aanwezigheid van publiek en overlast.
de openbare veiligheid;
Een standplaats mag niet leiden tot onveilige situaties. Hierbij gaat het om brandveiligheid, sociale veiligheid, verkeersveiligheid en bereikbaarheid van hulpdiensten. Het is van belang dat bij een standplaats rekening wordt gehouden met voldoende parkeerruimte voor automobilisten. Een standplaats is dan ook zo veel mogelijk gesitueerd op een plek waar voldoende parkeerruimte aanwezig is. Ook is gekeken naar de bereikbaarheid van de standplaats. De ‘beweging’ die een standplaats met zich meebrengt is in een typische woonomgeving uit een oogpunt van verkeersveiligheid ongewenst.
de volksgezondheid;
Er moet rekening worden gehouden met de volksgezondheid. Dit kan bijvoorbeeld in combinatie met verkeersveiligheid om te voorkomen dat er verkeersslachtoffers vallen. Daarnaast bestaat in principe ook bezwaar tegen standplaatsen langs doorgaande wegen. Niet alleen vanwege de beperkte mogelijkheden tot het stallen van motorvoertuigen maar ook vanwege het gevaar voor het ontstaan van verkeersonveilige situaties bij veel bezoek aan een standplaats. Daarnaast valt het weigeren op grond van de aanwezigheid van besmettelijke ziekten of het aanbieden van bedorven voedsel onder deze weigeringsgrond.
de bescherming van het milieu
Een standplaats kan worden geweigerd als het van invloed kan zijn op milieu. Dit kan inhouden het verstoren van het broedseizoen, veroorzaken van zwerfafval of als er milieunormen (geluid of stank) worden overtreden.
** 2. .** Op basis van artikel 21 lid 3 APV weigert het college een standplaatsvergunning indien er sprake is van een strijdigheid met het geldende omgevingsplan.