Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Doelgroep

Onderdeel van Verordening Castricumpas

1.. Recht op de Castricumpas heeft de aanvrager als bedoeld in artikel 11 van de wet, indien op het moment van de aanvraag het totale inkomen lager dan of gelijk is aan 120% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm, als bedoeld in paragraaf 3.2 van de wet en zijn vermogen lager dan of gelijk is aan de voor hem van toepassing zijnde vermogensgrens, als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet. 2.. Bij de bepaling van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten. 3.. Het vermogen in de eigen woning wordt bij de vaststelling van het vermogen als bedoeld in het eerste lid buiten beschouwing gelaten. 4.. In afwijking van het eerste lid is er geen sprake van recht op de Castricumpas indien aanvrager op de datum van aanvraag student of scholier is en uit ’s Rijks kas bekostigd voltijds onderwijs volgt en aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van de WTOS, tenzij aanvrager de zorg draagt over een ten laste komend kind. 5.. In afwijking van het eerste lid bestaat er recht op de Castricumpas voor zover de aanvrager beschikt over een inkomen hoger dan 120% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm doch is toegelaten tot een wettelijke of minnelijke schuldhulpverleningstraject op grond van de WSNP dan wel de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Voor personen ten aanzien van wie executoriaal beslag is gelegd wordt de draagkracht berekend over de middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. 6.. Het inkomen en vermogen bedoeld in het eerste lid wordt getoetst over de maand voorafgaand aan de aanvraagdatum. Indien sprake is van wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de 3 maanden voorafgaande aan de aanvraagdatum.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel