Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Energievraag aan de bodem

Onderdeel van Bodemenergieplan Het Ambacht Gemeente Veenendaal

Op basis van de benodigde energievraag van de gebouwen uit tabel 3.1 is een inschatting gemaakt van de hoeveelheden energie die worden gevraagd aan de bodem. Eveneens is daarbij een inschatting gemaakt van het benodigde brondebiet en waterbezwaar per cluster. Hierbij is rekening gehouden met de volgende inschattingen; het aantal vollasturen, de warmtecapaciteit van water en een warmteoverdracht van 6K bij piekvermogen, een gemiddelde warmteoverdracht van 5K per jaar, en een COP van 4 voor de warmtepomp bij verwarmen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in tabel 3.2. Hierbij dient opgemerkt te worden dat uit de analyses uit dit onderzoek is gebleken dat de bodem in theorie net de gevraagde energie zou kunnen leveren, maar niet het gevraagde vermogen. Daardoor is een zogeheten monovalente installatie, met enkel een bodembron en een warmtepomp niet mogelijk. In de praktijk worden bodemenergiesystemen al vaak onderdeel van een bivalente installatie, d.w.z. een bodemenergiesysteem voor de basislast, aangevuld met een piekvoorziening. Voorbeelden van piekvoorzieningen zijn: aansluiting op een ander (hoge temperatuur) warmtenet, luchtgebonden warmtepompen, elektrische ketel, thermische bufferinstallaties, etc. Dit zal voor Het Ambacht ook het geval zijn. Aan de hand van iteratieve thermische model-simulaties, is onderzocht welk aandeel van de energievoorziening de bodem onder Het Ambacht zou kunnen leveren. Hier blijkt dat de bodem het volgende kan leveren: 55% van het gebouwzijdige verwarmingsvermogen 100% van het gebouwzijdige koelvermogen 100% van de bodemzijdige warmtevraag 100% van de bodemzijdige koelvraag Tabel 3.2: energievraag aan de bodem per cluster Naam Energievraag aan de bodem (MWh) Debiet bodemenergiesysteem (m³/uur) Waterbezwaar (m³/seizoen) Winter Zomer (vraag + regeneratie) Winter Zomer Winter Zomer Cluster 1 1.399 330 + 832 = 1.162 56 60 240.000 200.000 Cluster 2 3.724 880 + 2.226 = 3.106 124 158 639.000 533.000 Cluster 3 999 237 + 597 = 834 44 43 172.000 143.000 Cluster 4 931 220 + 553 = 773 42 40 160.000 133.000 Cluster 5 942 224 + 562 = 786 43 40 162.000 135.000 Cluster 6 2.579 612 + 1.534 = 2.146 93 110 443.000 368.000 Cluster 7 2.048 484 + 1.223 = 1.707 76 87 352.000 293.000 Uit tabel 3.2 komt duidelijk naar voeren dat er een groot verschil is tussen de energievraag aan de bodem in de zomer, versus de energievraag in de winter. Dit resulteert in een gemiddeld koudeoverschot voor Het Ambacht van circa 423%. Een dergelijk groot koudeoverschot betekent dat er binnen het gebied, op lange termijn, een tekort aan warmte zal ontstaan door de almaar groter wordende koude grondwaterbellen. Dit maakt dat het optimaal benutten van de capaciteit van de ondergrond onder het Ambacht gebaat zal zijn bij het opstellen van aanvullende beleidsregels. De regels moeten zich onder meer richten op een mate van energiebalans (i.e. er worden jaarlijks vergelijkbare hoeveelheden warmte en koude uit de bodem onttrokken en geïnfiltreerd). Op basis van thermische modelstudies is gebleken dat bij een koudeoverschot van 120%, de koude bellen klein genoeg blijven. Zo wordt er in het zomerseizoen voldoende warmte in de bodem gebracht voor de daaropvolgende winter. Dit betekent wel dat er forse regeneratie-voorzieningen nodig zijn om het koude overschot te beperken. In tabel 3.2 is hiervan per cluster een inschatting gemaakt.

Rechtspraak bij dit artikel