Bij de uitvoering benaderen we wetten en besluiten op een integrale manier. Dit betekent dat we plannen en initiatieven zo vroeg mogelijk integraal beoordelen, ook op basis van de uitvoeringstrategie. De betrokken bevoegde gezagen en omgevingsdienst(en) werken gericht samen voor integrale en samenhangende besluitvorming, in ieder geval voor de reikwijdte van de fysieke leefomgeving .
1. We passen integraal casemanagement toe
Wij passen integraal casemanagement toe als het belangrijkste instrument voor integrale werkwijze. Dit strategische uitgangspunt is onafhankelijk van de plek binnen de organisatie waar het is ondergebracht.
Casemanagement in de uitvoering
Casemanagement vormt vaak de eerste stap in het proces van een integrale benadering van een project of aanvraag. Hierna volgen toezicht en handhaving. Casemanagement is cruciaal voor zowel de omgeving als de klant. Het speelt ook een belangrijke rol in de uitvoering van taken door betrokken organisaties of afdelingen. Dit draagt bij aan een integraal proces en verkort en vereenvoudigt de procedures, wat het kwaliteits- en dienstverleningsniveau verhoogt. Effectief casemanagement zorgt voor een integrale beoordeling van samenhangende aanvragen en leidt uiteindelijk tot maatwerkbesluitvorming die aansluit bij de specifieke omgeving.
Vanuit de Omgevingswet en de bijbehorende kwaliteitscriteria zijn we verplicht om casemanagement minimaal toe te passen op de wettelijke taken die voortvloeien uit deze wet. In Zeeland passen we casemanagement breder toe, omdat er ook andere wetten en verordeningen naast de Omgevingswet van toepassing zijn.
Een casemanager is verantwoordelijk voor het uitvoeren van casemanagement. Deze persoon coördineert de integrale beoordeling van aanvragen en stemt samenhangende besluiten af met andere betrokken bevoegde gezagen of adviesorganen, waaronder:
(Andere) Gemeente(n)
Provincie Zeeland
RUD Zeeland
DCMR (voor Seveso-inrichtingen)
VR Zeeland
GGD Zeeland
Waterschap Scheldestromen
Rijksoverheid (bijvoorbeeld ILT, RWS)
Zie verder het Protocol Integraal Casemanagement (2025) in deel C.
2. Aanvragen voorzien we van een goed bij de omgeving passend kader (zie model hieronder)
De manier waarop we uitvoering en casemanagement invullen, is sterk afhankelijk van het kader waarin we deze beoordelen. We maken hierbij onderscheid op basis van:
Omvang en aard van aangevraagde activiteiten.
De specifieke omgeving waarin de activiteiten worden uitgevoerd.
Het naleefgedrag van de aanvrager, en in sommige gevallen ook de integriteit, volgens ons gelijkluidend Bibob-beleid.
Op basis van deze indicatoren bepalen we of aanvragen technisch of sociaal-maatschappelijk eenvoudig of complex zijn. We classificeren aanvragen in vier typen vergunningen:
Vergunning eenvoudig: Dit betreft een vergunning voor een situatie met geringe technische en sociaal-maatschappelijke complexiteit, die voornamelijk bestaat uit standaardvoorschriften.
Vergunning eenvoudig+: In situaties die technisch-inhoudelijk niet complex maar sociaal-maatschappelijk wel zijn, bestaat de vergunning uit standaardvoorschriften, waarbij we extra aandacht besteden aan afstemming, overleg en samenwerking tussen betrokken partijen.
Vergunning specifiek: Bij technisch-inhoudelijk complexe situaties met een geringe sociaal-maatschappelijke complexiteit bestaat de vergunning voornamelijk uit specifieke voorschriften.
Vergunning specifiek+: In deze situatie zijn zowel de technische als de sociaal-maatschappelijke aspecten complex. Dit vereist specifieke voorschriften in de vergunning en zorgvuldige afstemming, samenwerking en overleg tussen betrokken partijen.
De vier typen vergunningen worden schematisch weergegeven.
Figuur 2: Vier typen vergunningen, afhankelijk van de technisch-inhoudelijke en sociaal-maatschappelijke complexiteit van het project, de inrichting of activiteit en/of het gebied waarin de inrichting is gevestigd of de activiteit plaatsvindt.
De indicatoren spelen een cruciale rol bij het formuleren van een kader dat aansluit bij de omgeving voor de activiteiten. Deze indeling is breder toepasbaar dan alleen voor vergunningen. We passen deze werkwijze ook toe bij het behandelen van meldingen, informatieplichten, het opstellen van maatwerkvoorschriften en bij de toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling.
3. We werken met actuele vergunningen
Actuele vergunningen dragen bij aan de vermindering van negatieve invloeden op de fysieke leefomgeving, de bescherming van de natuur en de verbetering van naleefgedrag. Een actuele omgevingsvergunning, die is aangepast aan de laatste stand van techniek en kennis, is beter toetsbaar en handhaafbaar. De Omgevingswet verplicht ons om omgevingsvergunningen voor milieu te actualiseren. Dit geldt echter niet voor andere typen vergunningen. Daarnaast verplicht de Europese Richtlijn Industriële Emissies (RIE) de wettelijke actualisatie van vergunningen voor IPPC-installaties.
Om de omgevingsvergunningen voor milieu actueel te houden, passen we het volgende beleid toe. Jaarlijks nemen we in het U&H-programma de volgorde en prioritering op van de vergunningen en maatwerkvoorschriften die we moeten actualiseren, evenals de capaciteit die we daarvoor nodig hebben.
Bij de actualisatietoets van het vergunningenbestand beoordelen we de volgende aspecten:
Nieuwe wet- en regelgeving: Is er nieuwe wet- en regelgeving die vereist dat vergunningen binnen een in die wet gestelde termijn aangepast worden?
Conformiteit met Best Beschikbare Technieken (BBT): Zijn de vergunning- en maatwerkvoorschriften nog steeds in lijn met BBT en goed handhaafbaar?
Aanpassingen door nieuwe wetgeving: Is er nieuwe wet- en regelgeving die een aanpassing van de vergunning noodzakelijk maakt?
Indien nodig en waar mogelijk passen we ambtshalve revisie toe. Dit is een nieuwe mogelijkheid die de Omgevingswet biedt in artikel 5.43.
De uitkomsten van de actualisatietoets worden opgenomen in een meerjarenplan voor de uitvoering.
4. Intrekken vergunningen
Jaarlijks verlenen wij verschillende soorten vergunningen. De meeste vergunninghouders realiseren hun projecten en activiteiten direct na het verlenen van de vergunning. Het komt echter ook voor dat een initiatiefnemer geen gebruik maakt van een vergunning, of pas na jaren enkele delen daarvan benut.
Wij beschouwen het ongebruikt laten voortbestaan van rechten uit vergunningen of delen van vergunningen als ongewenst om verschillende redenen:
We moeten voorkomen dat bouwwerken of activiteiten die in het verleden zijn vergund, maar nog niet zijn gerealiseerd, nieuwe planologische en stedenbouwkundige inzichten doorkruisen.
We willen voorkomen dat nieuwe bouwwerken of activiteiten worden uitgevoerd volgens verouderde technische inzichten.
Vanuit administratief oogpunt is het wenselijk dat het vergunningenbestand zoveel mogelijk overeenkomt met de feitelijke situatie buiten.
Voor omwonenden is het onplezierig om geconfronteerd te worden met oude (onherroepelijke) rechten waartegen zij geen rechtsmiddelen meer kunnen aanwenden.
Wij kunnen vergunningen intrekken in de volgende gevallen:
Wanneer een vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige informatie.
Als het gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten.
Indien er gedurende een bepaalde periode geen gebruik is gemaakt van de vergunning. De Omgevingswet stelt hiervoor een termijn van één jaar of een in de vergunning vastgestelde periode.
Daarnaast kan de aanvrager zelf verzoeken om het intrekken van een vergunning als startpunt voor het proces.
Wij kunnen vergunningen (deels) intrekken wanneer de wetgeving hiervoor mogelijkheden biedt, zoals in de Woningwet of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), en verder bijvoorbeeld op basis van jurisprudentie (bij omgevingsvergunningen milieu).
5. Uitgangspunten uitvoering
Bij het behandelen van een vergunningaanvraag of een ingediende melding hanteren we de volgende vier uitgangspunten om te zorgen voor een kwalitatief goede beoordeling. Deze uitgangspunten vormen een aanvulling op de algemene uitgangspunten van onze U&H-strategie uit deel A.
De uitgangspunten zijn:
Integraal werken: We zorgen voor een integrale beoordeling van aanvragen, waarbij we verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving in overweging nemen.
Risicogericht werken: We passen risicogericht werken toe, onder andere door het uitvoeren van een probleemanalyse, om prioriteiten vast te stellen en effectief te handelen.
Toetsen van integriteit van aanvragers: We controleren de integriteit van aanvragers om ervoor te zorgen dat vergunningen niet worden misbruikt.
Betrouwbaarheid, transparantie en professionaliteit: We handelen betrouwbaar, transparant en professioneel, en nemen verantwoordelijkheid waar dat nodig is.
Deze uitgangspunten helpen ons om een zorgvuldige en evenwichtige beoordeling van vergunningaanvragen te waarborgen.
Omgevingsgericht, integrale afstemming aan de voorkant
We voorkomen onacceptabele omgevingsbelasting.
Nieuwe activiteiten toetsen we op hun impact op de omgeving.
We voeren een integrale beoordeling uit, toetsen aan de weigeringsgronden en maken inhoudelijke beoordelingen.
Politiek-bestuurlijke speerpunten krijgen prioriteit.
Bij (potentiële) maatschappelijke onrust communiceren we helder met de omgeving.
We stimuleren innovatie en duurzaamheid.
b. Transparant, voorspelbaar en betrouwbaar
We passen landelijke standaarden en ons zelfontwikkeld en vastgesteld beleid toe.
We stellen heldere, transparante en begrijpelijke handhaafbare vergunningen op maat op, die openbaar en digitaal beschikbaar zijn.
Onze voorschriften zijn gebaseerd op de BBT en richten zich voornamelijk op doelvoorschriften, zodat bedrijven zelf kunnen bepalen hoe zij aan de eisen voldoen. Dit sluit aan bij onze uitgangspunten voor deregulering, vermindering van administratieve lasten en meer zelfsturing.
Vergunningen voor IPPC- en Seveso-bedrijven leggen we digitaal vast, zodat alle verplichtingen van het bedrijf op elk moment inzichtelijk zijn. Door de Omgevingswet zijn een deel van de voorschriften per 1 januari 2024 van rechtswege veranderd in maatwerkvoorschriften. We zorgen voor een geactualiseerd en geconsolideerd dossier per bedrijf.
c. Maatwerk bij beleidsrijke situaties en/of bij slecht naleefgedrag
We behandelen besluiten voor activiteiten die bij niet-naleving schade kunnen veroorzaken aan de leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur intensiever. Deze besluiten bevatten meer maatwerk- en/of middelvoorschriften. We formuleren de aanvraag (wat vraagt de aanvrager precies), het besluit (wat staat we toe) en de voorschriften (onder welke voorwaarden staat het toe) in detail.
Voor ons gebied of delen daarvan verwerken we, waar dat is vastgesteld, specifiek beleid voor dat gebied of thema. Dit kan betrekking hebben op kwesties zoals PFAS, zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), het Schone Lucht Akkoord (SLA), stikstof en waterkwaliteit.
d. Gezamenlijk en professioneel
Het proces van uitvoering begint met een voorbereidende fase waarin de initiatiefnemer de mogelijkheden verkent, een aanvraag opstelt en bij meervoudige zaken bij voorkeur vooroverleg heeft in de zogenaamde ’omgevingstafel', waarbij het casemanagement de leiding neemt.
Wij stimuleren de initiatiefnemer om de omgeving bij het initiatief te betrekken, zodat participatie een belangrijke rol speelt in het proces.
Het proces van uitvoering eindigt met de oplevering aan het toezicht, waarbij we soms een gezamenlijke opleveringscontrole uitvoeren.
Wanneer dat wettelijk vereist is, publiceren we de onherroepelijke vergunning zodat deze voor iedereen toegankelijk is.
We dragen het casemanagement over aan het toezicht.
6. Stappenplan uitvoeringsstrategie
In onderstaande figuur 3 zijn de stappen van het proces van uitvoering samengevat en globaal weergegeven. Een aantal processtappen kunnen en moeten verder worden uitgewerkt in protocollen en werkinstructies.
Figuur 3: stappenplan uitvoeringsstrategie
Hoofdstuk
Artikel 3.2
Integraal werken is ons uitgangspunt
Onderdeel van Vaststelling Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025–2028