Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Termijnen van betalen

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2026

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij aanvang van het parkeren. 2.. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door via het gebruik van een (stads)pas, een telefoon, webapplicatie of vergelijkbare producten inloggen op de centrale computer. 3.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b moet overeenkomstig de aangifte worden betaald voorafgaand aan de verstrekking van de vergunning. 4.. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. De invorderingswet 1990 is van toepassing 5.. De kosten voor het verwijderen van de wielklem en eventuele andere gerelateerde kosten, waaronder het bedrag voor het op de sleepwagen getakelde voertuig en het ophalen van het voertuig op de plaats van bewaring, dienen onmiddellijk bij het moment van verwijdering te worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel